Mechelen, Klooster Leliëndael, nu Jezuïetenkerk - en OCMWgebouw

Het oorspronkelijk klooster O.L.Vrouw van Leliëndael ontstond in de XIIIde [!] eeuw in Hombeek, nu een deelgemeente van Mechelen, doordat pastoor Lambertus van dit dorp “zyne goederen aen Wouter Berthout de IV opdroeg, op voorwaerde van er een klooster ter ere van O.L.Vrouw mede te stichten”.
De goedkeuring tot oprichting werd gegeven in 1233.
In 1572 werd het klooster geplunderd door Spaanse soldaten en in 1580 werd het door de geuzen verwoest en afgebrand. De zusters vluchtten toen naar Keulen maar keerden in 1585 terug. Echter niet naar Hombeek, maar naar Mechelen , waar ze in 1592 een terrein in het centrum van de stad kochten , gelegen tussen de huidige winkelstraten de Bruul en de IJzerenleen. en zich na de voltooiing van de eerste kloostergebouwen in 1602 vestigden
Sinds 1636 was de proost van het klooster Leliëndael een regulier kannunik van de abdij van Tongerlo. Door de hulp van deze abdij kon men beginnen met grootse bouwwerken zodat de kerk in 1674 voltooid kon worden.
Het plan hiervoor was gemaakt door de vermaarde Lucas Fayd’herbe.
Het O.L.Vrouwbeeld met de engelen, dat het hoogaltaar bekleedt, werd gemaakt door Arthur Quellyn, terwijl het schilderij boven het altaar dat Augustinus en Norbertus voorstelt, geschilderd werd door P.Tyssens, een leerling van Rubens.
 
 
 
Toen Anna Maria Catharina van Dun (Zuster Siarda) er in 1778, op 41 jarige leeftijd, abdis werd (zie in het e-boek onder haar naam) was de kloosterorde zeer rijk.  Zijzelf liet het kapitaal tussen 1778 en 1780 aangroeien met zomaar eventjes 28.000 florijnen.  Als men weet dat de waarde van een herenhuis toen op ongeveer 7.000 florijnen werd geschat …
Bij de ontbinding en vereffening van het klooster bleek dit een jaarlijks inkomen te hebben van meer dan 20.080 florijnen, gedeeltelijk voortkomend als rente op een kapitaal van 330.000 florijnen en gedeeltelijk voortkomend van de opbrengst van de domeingoederen.
In 1783 werden de abdis Anna van Dun (zuster Siarda) en haar zusters Norbertinessen verdreven en aanvankelijk vervangen door de communauteit van de zusters Ursulinnen. (zie in het e-boek onder haar naam)
 
 
 
Nadat het klooster in 1782 werd opgeheven en de kloosterkerk in 1783 werd gesloten, werd het huisraad, de meubelen, en enkele kerkornamenten in augustus publiek verkocht, het zilverwerk werd overgebracht naar De Beurs in Brussel om er te worden verkocht, en een dertigtal schilderijen werd in een depot in Brussel opgeslagen. In december 1784 werden de 250 (!) nog resterende schilderijen publiek verkocht, en er werden plannen gemaakt om het klooster om te vormen in een bakkerij.
 
In 1786 werden de gebouwen geschonken aan de aanpalende orde van de Ursulinnen.  In de scheidingsmuur tussen de twee kloosters werd een gat gemakt en op enkele weken tijd verhuisden de Ursulinnen-zusters hun inboedel naar het klooster Leliëndael. In 1798 werden die op hun beurt verdreven.
In 1808, tijdens de Tweede Franse Bezetting, werd het klooster samen met de bijhorende kerk voor meer dan 1 miljoen pond als 'nationaal bezit' verkocht aan La Comission des Hospices Civils (Commissie van Burgerlijke Armenzorg- ook genoemd de administratie van burgerlijke godshuizen) van de stad Mechelen.
De daaropvolgende jaren verkocht deze de nog aanwezige kerkelijke ornamenten aan de kerkfabriek van de Sint Romboutskathedraal. Hierdoor verhuisden onder andere de wit marmeren communiebank en de rijkelijk gesculpteerde houten preekstoel naar de Sint-Romboutskerk.
 
 
Een aantal schilderijen werd verkocht aan de kerk van O.L.Vr. over de Dijle; zo ook het grote doek van Ehremberg, dat eens in het koor van Leliëndael hing.
In 1834 keerde dit echter daarnaar terug.
La Commission des Hospices Civils herbergde in de gebouwen een weeshuis (bij de Mechelaars bekend als “den Hospice”
 
De kerk zelf werd door tussenmuren in verschillende ruimten verdeeld waarin ondermeer een schrijnwerkeratelier, een magazijn, een ziekenhuis een een slaapzaal voor ouderlingen werden ondergebracht:
 
In 1834 werd de Theologische faculteit van de Katholieke Universiteit Leuven heropgericht in het aanpalende huis.  De Commissie liet de universiteit gebruik maken van de kerk van Leliëndael op voorwaarde dat de wezen en ouderlingen de diensten mochten bijwonen.
Toen de universitaire afdeling in 1836 definitief naar Leuven verhuisde werd zij opgevolgd door het klein Seminarie van de Afrikaanse Missieën van de Witte Paters van Afrika, die voortaan gebruik maakten van de kloosterkerk.
In 1900 namen de Jezuïeten hun gebouwen over en kochten ook de aanpalende kloosterkerk.
Om die meer toegankelijk te maken vanaf de straatkant lieten zij een grondige restauratie uitvoeren. Het hoofdaltaar werd verplaatst naar de tegenoverliggende zijde, terwijl ook de gevelversiering verdween.
De kloostergebouwen bleven eigendom van de Commissie, later Commissie van Openbare Onderstand en nu O.C.M.W. (Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Werk).
 
Het weeshuis en een deel van het bejaardenhuis deden in de 2de helft van de 20ste eeuw dienst als politiekantoor, maar worden nu, na nogmaals een grondige restauratie gebruikt door de verschillende OCMW-diensten.
 
 
 
 
 
Schatten van het klooster Leliëndael in andere Mechelse kerken
 
In de Sint Katelijnekerk:
De klok van de kloosterkerk, met inscriptie Norbertus   Leliëndael hangt nu in de toren van de St.Katelijnekerk.
 
In de kerk van O.L.Vrouw over de Dijle:
Twee schilderijen
 
In de Sint Romboutskathedraal:
de prachtige marmeren communiebank met in de middenmedaillon de afbeelding van de heilige Norbertus en een religieus die het H.Sacrament aanbidden, bevindt zich “voor de kapel van Zellaer achter het hoogaltaar”
De maker van deze communiebank is onbekend, sommigen schrijven ze toe aan Arthur Quellin de Jongere, anderen aan Fayd’herbe.

 
de prachtig gesculpteerde preekstoel

twee grote marmeren medaillons bekroond door loofwerk in de kapel van Zellaer,
 
de houten kerkgestoelten van de religieuzen die echter later door nieuwe werden vervangen.
 
drie basreliëfs, toegeschreven aan Lucas Fayd’herbe: één waar Maria het kindje Jezus aanbiedt aan de H.Norbertus en 6 medegezellen, één met Christus aan het kruis omringd met pelgrims, één met de stervende Norbertus te midden van religieuzen. Omstreeks 1813 werd er in de St.Romboutskathedraal een vierde basreliëf aan toegevoegd waarin de H.Rumoldus het geloof verkondigt aan de heidenen. Dit laatste heeft echter niet de kwaliteit van de drie andere.
 
 
 
*Monasticon Belge, Tome VIII, Province d’Anvers, Premier Volume, Centre nationale de recherche d’histoire religieuse,  Liège 1992.
 
 
*Historische aanteekeningen rakende de kerken, de kloosters, de ambachten en andere stichtingen der Stad Mechelen. Tome II, Malines, J.Schaeffer, +/- 1859.