Joannes Josephus van Dun (1750-1824) Super-burgemeester van Antwerpen: President van de provisoire Representanten voor de uytvoerende Magt der Stad Antwerpen

 
Joannes Josephus  van  DUN  (1750-1824) Super-burgemeester van Antwerpen : President van de provisoire Representanten  voor de uytvoerende Magt der Stad Antwerpen, 1792-1793
Wanneer we Joannes Josephus van Dun hier omschrijven als zgn. superburgemeester van  Antwerpen dan is dit omdat hij tijdens de 1ste Franse bezetting van Antwerpen door de nieuwe Soevereine Vergadering van de stad als voorzitter werd aangeduid. Deze Soevereine Raad stond boven de Stadsmagistraat en boven de Stadsraad en diende, bij de vernieuwing ervan, op 31 december, te zorgen voor de verkiezing van nieuwe schepenen en van twee nieuwe burgemeesters (binnen- en buiten-burgemeester). –zie verder-
 
Johannes Josephus is geboren in Antwerpen, op 18 oktober 1750, als zesde kind van Joannes Baptist, die zich op 23 augustus 1732 in de Poortersboeken van de stad Antwerpen had laten inschrijven, er van 1740 tot 1777 een notarisstudie had, en in  1757 aldaar procureur werd (zie onder diens naam).

 Hij huwt, op 12 oktober 1784, in de parochiekerk van O. L. Vr. Noord te Antwerpen, met Maria Josepha Le Grelle (ca1747-   ), een telg uit de vooraanstaande familie Le Grelle.
 In 1783 wordt hij schepen van de stad Antwerpen. Dit mandaat wordt in 1786 hernieuwd.

Hier moeten we de aandacht vestigen op de functie van schepen (of wethouder) in de periode van het Ancien Regime: "De schepenen hadden een zuiver passieve rol; ze vervolgden niet; ze waren enkel rechters : ze hoorden de partijen en onderzochten de eisen, ontvingen de verslagen van de experten, hoorden het advies van het openbaar ministerie (de hertogelijke officier) en spraken dan het vonnis uit".

In 1787 stelt Johannes Josephus zich kandidaat voor de functie van Eersten hoofdmann der poorterije ende Wyckmeesters der stad Antwerpen, in opvolging van zijn schoonbroer, Henri Le Grelle, advocaat, geboren in 1752, die deze functie sinds 1781 had bekleed.
Toen het Franse leger, onder leiding van opperbevelhebber Dumouriez, eind 1792 bezit nam van onze streken, kwam uiteraard ook Antwerpen aan de beurt.
Nadat het Antwerpse kasteel, de laatste vesting in Oostenrijkse handen, op  30 november door de Franse troepen op de Oostenrijkers was veroverd, lag de weg naar de stad open. Dit was nog meer het geval op 2 december, toen een Frans smaldeel, bestaande uit 9 oorlogsschepen, op de rede voor de stad verscheen en aldus voor de heropening van de Scheldevaart zorgde. De bezetting door de Fransen, die zich aandienden als verlossers van de dwingelandij van het Oostenrijks bewind en verspreiders van de mensenrechten ("vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid"), bracht veel ellende teweeg. De bevolking had niet alleen te lijden onder de inkwartiering van de Franse troepen, maar ook onder lasten, zoals opeisingen, o.m. van "het beddegoed", en de uitgifte van de zogenaamde assignaten (waardeloos papieren geld), en door het uitbreken van besmettelijke ziekten. Hierdoor heerste er veel onrust. De stad dreigde onbestuurbaar te worden daar allerhande groepen op straat de macht wilden grijpen.

Onder druk van deze omstandigheden én van de Franse militaire bevelhebber, Dumouriez, en teneinde een machtsgreep van de straat te verhinderen, werd op 18 december een overgangsbestuur verkozen van veertig provisoire representanten der uitvoerende macht die de oude schepenbank moesten vervangen. Alle inwoners van Antwerpen moesten hun stem uitbrengen. Als stemopnemers werden voor elk der 13 stadswijken een notaris en een getuige aangeduid. Onder de verkozenen waren : de bisschop van Antwerpen, de abt van St. Michiels, de kapitteldekens van O.L.Vrouw en van St. Jacob, twee plebanen, de twee kanunniken van de kathedraal, drie oud-burgemeesters, vijf oud-schepenen (waaronder Joannes Van Dun), openbare ambtenaren, advocaten, kooplieden, dekens, enz.


Joannes VAN DUN behaalde op één na de meeste stemmen en werd door de nieuwe Soevereine Vergadering als voorzitter aangeduid. Op 21 december legden allen op het Raadhuis de eed af.
 
De Soevereine Raad stond boven de Stadsmagistraat en boven de Stadsraad en diende, bij de vernieuwing ervan, op 31 december, te zorgen voor de verkiezing van nieuwe schepenen en van twee nieuwe burgemeesters (binnen- en buitenburgemeester). Hij vergaderde in de schilderskamer van de Beurs.  Zijn leden vormden eigenlijk de WETGEVENDE MACHT van de ANTWERPSE REPUBLIEK, dit bij ontstentenis van de Staten van Brabant of van het Keizerlijk Hof. Naast hen bleef de gewone Magistraat belast met de administratie van de gemeentelijke belangen.

 
Eén van de eerste daden van de Soevereine Vergadering was een "ADRESSE" of protestbrief aan de Nationale Conventie van Frankrijk te Parijs, waarin zij zich verzette tegen het decreet van 15 december 1792. Dit decreet had o.m. tot doel de inval van de Franse troepen door de inwoners van het bezet gebied te doen bekostigen, en het systeem van de assignaten aan de bevolking op te dringen. Tevens werden alle bestuurlijke overheden afgeschaft. Hieronder afgebeeld: de protestbrief van Joannes van Dun, als President van de provisoire Representanten van de uytvoerende Magt der Stad Antwerpen, gericht aan de Nationale Conventie in Parijs.   Een exemplaar hiervan wordt bewaard op het Rijksarchief in Brussel.
 


De vertaling volgt hieronder:
VERTOOGSCHRIFT
van  de provisoire representanten van  het vrije  volk  van  de  stad   ANTWERPEN aan  de  Nationale  Conventie  van  Frankrijk.   WETGEVERS  VAN  FRANKRIJK  !    Toen uw zegevierende legers destijds van plan waren een triomfantelijke intrede in België te doen, richtte Generaal DUMOURIER zich tot de Belgen met een Manifest waarin hij zegde : "Weldra komen wij op uw grondgebied; wij komen er om u de boom van de vrijheid te helpen planten, zonder ons op enigerlei wijze te bemoeien met de grondwet die jullie zullen willen aannemen, mits jullie de soevereiniteit van het Volk tot stand brengen". Dat waren de woorden, en dat moesten de woorden zijn, van de Held die zich, namens een vrije Natie, tot een volk richtte dat altijd het meest onverzettelijke verweer heeft gesteld tegenover de druk van de Tirannie. Die woorden van vrede en van broederlijkheid bezielden de Belgen met de meest levendige verwachting; zij beschouwden ze als een van die heilige verbintenissen, die zelfs het despotisme niet durft schenden; zij zouden het als een misdaad beschouwd hebben de waarheidsliefde van de uitgesproken Vertegenwoordiger van de vrijheid met de geringste twijfel te bejegenen. Zij geloofden dat de gelukkige tijd van de rust eindelijk nabij was, en met dit door vertrouwen teweeggebracht gevoel van veiligheid zochten zij alleen nog maar middelen om hun intense dankbaarheid te betuigen aan de edelmoedige Bevrijders, middelen die nog maar even die lichte vertraging moesten kennen welke er nodig is voor het herstel van het evenwicht, dat altijd min of meer verstoord wordt door de schok welke door nieuwe omstandigheden veroorzaakt wordt. Oordeel, WETGEVERS, oordeel in deze omstandigheden zelf welke onverwachte donderslag het fatale Decreet van de 15de December betekende voor de Belgen. Ja, wij durven het U  zeggen (want men moet vrijmoedig spreken met een vrij Volk) : alom is er een enkele kreet, een universele kreet geslaakt, en dat is de kreet welke het diepgaande gevoel van het onrecht doet ontstaan. Wij zullen hier zeker geen discussies beginnen welke tegelijk lang en onaangenaam zouden kunnen worden. Wij zullen ons onthouden van het onderzoek van de verschillende artikelen waaruit dit decreet bestaat.  Wij zullen er ons toe beperken op te merken dat het, al bevatte het een overvloed van weldaden, toch een aanslag zou betekenen op de Soevereiniteit van het Volk van België, een Soevereiniteit die dat Volk het recht heeft uitsluitend zelf uit te oefenen, een Soevereiniteit die het niet heeft kunnen, die het niet kan en die HET NIET WIL aan iemand anders toevertrouwen dan aan zijn Representanten. Deze Soevereiniteit is één, ondeelbaar, en kan niet in stukken verdeeld worden; alleen van de Representanten van de Natie kunnen de decreten uitgaan waarbij die Soevereiniteit betrokken is, en elke vreemde macht die zou pogen inbreuk te maken op zulk heilig recht, zou geen revolutionaire macht zijn, maar een tirannieke.  Het is trouwens een fundamenteel beginsel van de Democratie, dat alleen het Volk wetten maakt. Het komt dus de Belgische Natie toe, haar burgerlijke en haar politieke administratie te regelen; haar komt het toe, de gebruiken vast te leggen en de misbruiken te bestraffen; haar komt het toe, met een vaste en voorzichtige hand de beitel van de hervorming te hanteren, waar de bijl van de vernietiging vast en zeker de chaos van de verwarring zou veroorzaken; tenslotte komt het haar toe, de soevereine macht ten volle uit te oefenen, en daarom moet die soevereine macht niet enkel van elke buitenlandse tussenkomst, maar van elke buitenlandse invloed bevrijd worden. WETGEVERS  !   De ogen van Europa zijn op U gevestigd. Het recht en de heilige belofte van de Generaal van uw Legers staan aan onze kant; aan uw kant staat de macht, maar U heeft gezworen, die macht enkel aan te wenden voor het behoud van de Vrijheid der Volkeren. Trouw aan de verplichting die ons wordt opgelegd door de eed die wij voor het Volk hebben afgelegd, protesteren wij in zijn naam tegen elke beslissing die een aanslag zou zijn op zijn Soevereiniteit.  Dat is de wens van onze Lastgevers, dat is de eensgezinde kreet van twee miljoen mensen die bereid zijn hun armen aan te bieden voor de zaak van de Vrijheid.  Komt het rechtvaardige en vrije mensen toe, deze armen te verlammen ?   WETGEVERS  VAN  FRANKRIJK !   Wij zijn, broederlijk,  De provisoire Representanten  van het vrije Volk van de Stad    Antwerpen Dit werd ondertekend door :   J. J. VAN  DUN   Voorzitter
                                           NANTEUIL  voorlopig Secretaris
                                            Zo is het :                                                                   NANTEUIL

Het bleef echter niet bij dit ene protest.
Onmiddellijk na de installatie van de “Provisoire Souvereyne Raad van de Provisoire Representanten” kwam een mondelinge eis van de bezettende Franse generaal, Miranda, om hem de som van 300.000 francs (*) te overhandigen. De Raad weigerde dit, eiste op zijn beurt een schriftelijke bevestiging daarvan, en bood een bedrag van 21.000 frs aan. (*) * in de Franse teksten is er sprake van “livres tournois” of “Doornikse ponden”, i.p.v. “francs”. Woedend om deze weigering deed generaal Miranda de secretaris, advocaat Nanteuil, alsook drie leden van de Raad, 's nachts uit hun woning halen en in het kasteel in de boeien slaan.  Teneinde de gijzelaars vrij te krijgen, werd  Joannes van Dun verplicht onmiddellijk 100.000 frs in te zamelen en diende de Raad een schriftelijke verbintenis op te maken voor de aanzuivering van het resterend bedrag van de "lening". De klacht die de Raad hierna indiende, bij het bezoek van twee vertegenwoordigers van de Nationale Conventie van Parijs, vond geen gehoor.  Kort daarna, op 20 januari 1793, keurde de Raadsvergadering een RESOLUTIE goed, gericht tot de President van de Nationale Conventie in Parijs, waarin zij, in naam van de “Nederlansche Gedeputeerden”, nogmaals met klem protesteert tegen het decreet van 15 december. Ook deze Resolutie werd door Joannes (Josephus) van Dun ondertekend in zijn hoedanigheid van “President van de provisoire representanten van het Vrij Volk der Stad Antwerpen”.
 
Hieronder een kopie van de aanhef en het slot van het pamflet waarmee deze Resolutie, in vertaling, aan het publiek werd bekendgemaakt.

 


 
Enkele maanden later, op 17 maart 1793, werd het Franse leger in de slag bij Neerwinden verslagen door de Oostenrijkers, onder het bevel van de hertog van Saksen-Coburg (vader van de latere Belgische koning, Leopold I).
Op 30 maart begeven de afgevaardigden van de Representanten zich naar Brussel, waar zij een audiëntie aanvragen bij de Oostenrijkse bevelhebber, prins von Metternich.
Na het door hen uitgebrachte verslag verklaart deze zich zeer voldaan over het gedrag van de Antwerpse magistraten ten tijde van de Franse bezetting.
 Op 31 maart staan de Oostenrijkers voor de poorten van Antwerpen en slaan de Fransen  massaal op de vlucht.
Op dat ogenblik richtten Joannes van Dun en zijn secretaris Nanteuil een RESOLUTIE tot de Antwerpse bevolking, om haar te danken voor het vertrouwen in het Voorlopige Stadsbestuur en voor haar standvastig verzet tegen de Franse indringers die van plan waren voor altijd te verbannen den Godsdienst uwer vaderen".
Hij kondigt tegelijkertijd de overdracht aan van het beheer van de stad aan de troepen van de Oostenrijkse Keizer.


 Zoals men in de hiernavolgende afdruk kan opmerken, is ook hiervan een pamflet bewaard gebleven. Ook dit bevindt zich in het Rijksarchief in Brussel.

Op 26 juni 1794 behaalde het Franse leger, in de veldslag te Fleurus, een nieuwe overwinning op Oostenrijk en zijn bondgenoten.
Toen het een maand later Antwerpen terug binnentrok, sloegen de meeste invloedrijke personen op de vlucht.  Zo niet echter Joannes van Dun.


De hiernavolgende afbeelding stelt een gravure voor waarop de intrede van de Fransen te Antwerpen, in juli 1794, wordt afgebeeld.Het is niet onmogelijk dat Joannes van Dun zich tussen de prominenten bevond die de Fransen noodgedwongen gingen begroeten.

 
 
Daar hij, zoals nog andere overgebleven vooraanstaanden, niet inging op de oproep van de Franse bezetter om aan het bestuur van de stad deel te nemen, werd Johannes Josephus van Dun opgeëist en tegen zijn wil tot gemeenteraadslid aangesteld.
Op 22 juni 1795 vroeg hij zijn ontslag als gemeenteraadslid.
 
Omdat hij deze aanvraag herhaaldelijk vernieuwde, en onder allerlei voorwendsels weigerde mee te werken aan het bestuur van de stad, werd hij op 7 september door de criminele rechtbank van het Franse bewind van zijn politieke rechten vervallen verklaard voor de duur van twee jaar, en werd hij op 11 oktober vervangen.
 
 
Ter illustratie citeren we hierna letterlijk het relaas dat hierover verscheen in "Antwerpen in de XVIIIde eeuw, na den Inval der Franschen" :
 "Het spreekt vanzelf, dat onze gegoede burgers, zoo nauw verknocht aan onze rechten en vrijheden, met walg de knevelarijen der republiek aanzagen en geenszins de hand wilden leenen tot medewerking aan onzen ondergang.   Zoo werden er van den 2n Mei tot den 27n augustus {1795} door Dargonne      {de Franse onderschout} dozijnen brieven geschreven opdat de heeren de Bosschaert, Borrekens, de Wael, Kramp, van Dun, d'Heussens, Werbrouck, J. Cuylits, vanden Nest, du Bois, Le Grelle, Le Paige e.a. het ambt zouden vervullen, waartoe zij aangesteld waren.  Noch de eenen, noch de anderen lieten zich daartoe overhalen, en gaf er al een enkele toe, dan verrichtte hij zijn werk zoo slordig en onregelmatig, dat Dargonne zich niet kon weerhouden zijn gedrag aan te klagen."


Op 9 november werd Joannes van Dun door de Fransen gevangen genomen en als gijzelaar, samen met nog 129 andere personen, waaronder de edellieden Cogels, Osy, Le Grelle en D'Hanis van Cannart, op transport gezet.
Hij werd vastgehouden te Valenciennes, alwaar hij na anderhalve maand werd vrijgelaten.
 
Ook na zijn veroordeling bleef Joannes van Dun zich openlijk verzetten tegen de politiek van de Franse bezetter.
Begin mei 1797 zal hij, met de pastoors van het Begijnhof en van het gasthuis van Antwerpen, een VERTOOGSCHRIFT opstellen, gericht tot het Franse bestuur van het “departement der Beide-Nethen”, waarbij Antwerpen toen ingedeeld was.
De ondertekenaars drongen hierin aan op het intrekken van de uitvoeringsbesluiten (van 31 maart 1797) van de wet van 7 Vendémiaire, jaar IV, betreffende “de uitoefening en de regeltucht der erediensten”.
Alhoewel het Franse bestuur uitdrukkelijk beloofde op dit verzoek te zullen ingaan, bleven deze besluiten echter van kracht en werden ze even later zelfs in volle hevigheid toegepast.
 
Ingevolge het Concordaat van Napoleon werden er in 1800 nieuwe rechtbanken opgericht.
Joannes van Dun werd op 6 juli aangesteld tot president van de civiele rechtbank, die, op de ondervoorzitter na, uitsluitend uit anti-revolutionairen bestond.
De criminele rechtbank bestond daarentegen uit een sterk afgetekende revolutionaire meerderheid.
In beide rechtbanken weigerden de anti-revolutionairen hun taak op te nemen. Zo ook Joannes van Dun.
Bijgevolg moest de Franse Prefect nieuwe naamlijsten naar Parijs sturen, met namen van personen die wél bereid waren deze functies waar te nemen.
Volgens de registers van de Franse volkstelling woonde Joannes Josephus van Dun in de jaren 1795-1796 op het Kipdorp in Antwerpen, in het huis De Penne, Caerdeken, samen met zijn vrouw Maria Josepha Le Grelle en twee inwonende dienstmeiden van respectievelijk 24 en 27 jaar.
 
Voor zover ons bekend liet hij slechts een zoon na, Petrus Joannes Josephus, geboren op 28 mei 1789 en overleden, als rentenier, in 1871.
Deze huwde in 1817 met Johanna Verachter.
Uit dit huwelijk werden 4 kinderen geboren.
 
Het oudste kind, Desideria Josephina Isabella Maria, werd geboren te Antwerpen op 7 juni 1820 en huwde met de 15 jaar oudere edelman Joannes Lith de Jeude (1805-1873).
 
Het tweede kind, Melania Maria Theresia Josepha, werd geboren op 17 juni 1822 en huwde met de 24 jaar jongere notaris Joannes Baptist Van de Zande, die te Antwerpen overleed in 1904.
 
De derde nakomeling, Adelaïde Pommaria, geboren in 1824, overleed op 5-jarige leeftijd.
 
Het jongste kind, Leo Cornelius Emilius Josephus Maria, werd geboren op 23 juni 1826, huwde met Clementina Maria Bauduin (die in 1909 te Paliseul overleed), en is overleden te Antwerpen op 6 oktober 1865, zonder nakomelingen.
Hij stond geboekstaafd als grondeigenaar.
 
 
 
 
BIOGRAFIE  Joannes Josephus  van  Dun
Algemeen Rijksarchief Brussel, Ref. 432714  -  EP3285/180.
 
Algemeen Rijksarchief Brussel, Ref. 432984  -  EP3349/124.
 
Nieuwe Geschiedenis van Antwerpen, of Schets van de Beginsels en Gebeurtenissen dezer Stad, alsmede van de opkomste harer instellingen en geschriften, Lodewyk Torfs, pp 356-358, drukkery J.E. Buschmann, Antwerpen, 1862.
 
De Sansculotten te Antwerpen, 1792-1802, J. Staes, Algemeen Rijksarchief Antwerpen.
Antwerpen in de XVIIIde eeuw na den inval der Franschen, E. Poffé, Drukkerij H. & L. Kennes, Antwerpen, 1897.
 
Het Antwerps Stadsbestuur voor en tijdens de Franse overheersing, R. Boumans, Rijksuniversiteit te Gent, Werken uitgegeven door de Faculteit van de Letteren en Wijsbegeerte, 135e Aflevering, uitgev. De Tempel, Brugge, 1965.
 
Antwerpen onder Jean Marassé (1792-1793), Fl. Prims, in Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Brussel, 1949.
 
Bijdrage tot de Geschiedenis van Antwerpen op het einde der XVIIIe eeuw, J. Staes, (een hoofdstuk uit een nog onvoltooid werk), ca. 1887.
Bibliografie Antwerpse van Dun-familie-1
Acte van keus door het souvereyn volk van Antwerpen gedaen op 15 december 1792, J. Grangé, Antwerpen, 1792.
 
Geschiedenis van Antwerpen sedert de Stichting der Stad tot onze Tijden, F.H. Mertens en
K.L. Torfs, uitgev. C. De Vries-Brouwers, deel VI-VII-VIII, Antwerpen.
 
Geschiedenis van Antwerpen, kanunnik Floris Prims, Deel 25, N.V. Standaard Boekhandel, Antwerpen, 1947.
 
Geschiedenis van Antwerpen, kanunnik Floris Prims, Nieuwe uitgave van de oorspronkelijke tekst van 1927-1948, Zevende Deel, uitgev. Kultuur en Beschaving, Brussel, 1984.
 
Geschiedenis van Antwerpen, Zevende Deel, Met Oostenrijk en onder de Franschen 1715-1814, Floris Prims, uitgev. Kultuur en Beschaving, 1948.
Antwerpen in de XVIII eeuw, Genootschap voor Antwerpse Geschiedenis, De Sikkel, Antwerpen, 1952.
 
Antwerpen, van Romeins veer tot wereldhaven, Jan Van Acker, uitgev. Mercurius, Antwerpen, 1975.
 
De Kronijk van Antwerpen, Jan Frans Van der Straelen en Jan Baptist Van der Straelen, Zevende Deel, 1799-1802, Antwerpen, 1935.
 
Registers van de Franse volkstelling - An IV, Rijksarchief Antwerpen.
 
Gazette van Antwerpen, 1792-N°83, 1793-N°1, 1794-N°61, Stadsbibliotheek Antwerpen.
 

Thema

Regio