Goelken van Dunne (+1646) Geel, huis Nieuwstraat, grafsteen met wapenschild

Afkomst

Goelken van Dunne behoort tot de Alphense van Dun-tak. Haar vader, Cornelis Jan hendricxzn van Dunne (1520-1579) was afkomstig van Alphen. In 1573 koopt hij het huis Ossenhooft aan de Singel in Turnhout. Goelken wordt in Turnhout geboren, haar geboortedatum is ons niet bekend.
In 1588 huwt zij de toen 30-jarige jonker ridder Jan van Cauwegom, die toen reeds een ambtstermijn van drossaard vervuld had, maar door de Staatsgezinde (calvinistische) Jan IV de Merode werd afgezet omdat hij de Spanjaarden steunde (zie verder).
Haar broer Jan van Dunne huwde met Martijntje van der Eyghene, dochter van Lieven van der Eygene, burgemeester van Geel. De kinderen van dit echtpaar werden allen in Geel geboren.

  • De oudste dochter van Jan van Dunne, Elisabeth, huwde Meester Philip Cleymans. Zij waren in Geel eigenaar van een huis genaamd “ ’t Schild van Turnhout” gelegen op de Havermarkt en bezaten ook land in eigendom te Lichtaart. In 1648 verkoopt zij obligaties om de studies van de 25-jarige zoon, Cornelis Cleymans, te bekostigen.
  • Zoon, Livinus, die onder meer gronden bezat in Veerle, werd heer van Turnhout, Beerse en Rode en had slechts één nakomelinge, t.w. Martina Angela van Dunne.  Hijzelf werd op 19 juli 1601 geboren in Geel. Zijn voornaam, die ook aan zijn zoon gegeven werd, komt nergens anders voor in de van Dun-stamboom. Hij werd namelijk genoemd naar zijn grootvader langs moederszijde, Lieven van der Eygene.   Livinus was zeker niet onbemiddeld; hij bezat onder meer gronden in Veerle en was heer in Turnhout, Beerse en Rode.  Zijn blazoenfiguur komt voor op de blazoenstaat van de familie Cannart d' Hamale, de schoonfamilie van Livinus' dochter, Martina Angela van Dun bestaat uit “één enkele vijfbladige bloem (=roos), in zilver, met twijg en bladeren in dezelfde kleur”   Van hem kennen we nog een alliantiewapen, t.t.z. een familiewapen bestaande uit zijn eigen wapen, gecombineerd met dat van zijn echtgenote. Het kwam voor op de grafsteen van zijn vrouw in de kerk van Oisterwijk, maar wijkt volledig af van het hogergenoemde blazoen. Zijn wapen, omvattende een rode lelie op gouden achtergrond, staat boven het familiewapen van zijn vrouw, dat bestaat uit drie drielingsbalken.
  • Martina Angela van Dunne werd geboren in Oisterwijk op 17 maart 1632, huwde in 1654 met Engelbert van Cannart d’Hamale, vaandrig in het Spaanse leger en eigenaar van Broeckhove en Beerse, en was vrouwe van Turnhout, Beerse en Rode. Het alliantiewapen van dit echtpaar vertoonde rechts het wapen van de man, vijf aaneengesloten rode spitsruiten, terwijl links het familiewapen van Martina Angela prijkte, te weten drie zilveren rozen met groene stengels en bladeren op een rood veld.. Zij overleed in 1660 in Oisterwijk. Haar echtgenoot overleed in Antwerpen in 1655, maar werd in Massenhoven begraven.

Goelken van Dunne en haar man hadden het niet onder de markt. Dit had alles te maken met de functie van haar echtgenoot Jan van Cauwegom.  Deze stamde uit de niet onaanzienlijke familie van de van Cauwegoms.

Toekomstige echtgenoot

Goelken van Dunne en haar man hadden het niet onder de markt. Dit had alles te maken met de functie van haar echtgenoot Jan van Cauwegom.  Deze stamde uit de niet onaanzienlijke familie van de van Cauwegoms.
Zijn grootvader, Merten van Cauwegom was gehuwd met Elisabeth van Swertgoor aan wie het huis in de Nieuwstraat in Geel behoorde. Merten was organist van de St. Amandskerk in Geel, Schepenen van Geel en Gasthuismeester.
Diens oudste zoon van Merten, Jan van Cauwegom was de stamvader van de Lierse van Cauwegoms.  Hij was notaris en advocaat in Lier en werd in 1585 drossaard van het Land van Mechelen. Ook was hij de vertrouwensman van landvoogd Alexander Farnese, de hertog van Parma, door wie hij werd geadeld.
Zijn jongste zoon, Lodewijk van Cauwegom, was de vader van Jan, de echtgenoot van Goedele. Hij was jurist en stadhouder van de lenen die het domkapittel van St. Martinus te Utrecht bezat. Hij was tevens gedurende negen jaar Schepen van Geel en maakte zich bijzonder nuttig toen hij in 1566 de Geelse “Zilveren Kast” en de kerkschat van de St. Dimpnakerk van Geel in veiligheid bracht bij zijn broer Jan in Lier.
Goedele haar toekomstige echtgenoot, Jan, geboren in 1558, studeert als advocaat af in Leuven, en diende aanvankelijk als ridder in het huis van heer Jan van Wittem,marquies van Bergen, grave van Wilhelm, heer van Beerzele, Braine-la-Leud, Boutersem enz.. Deze zeer vermogende edelman huwde in 1578 Margareta de Merode die van haar vader Jan IV de Merode de heerlijkheid Geel ten geschenke kreeg (zij het zonder het vruchtgebruik ervan), en die hier een van de rijkste vrouwen van die tijd werd toen zij erfde van haar kinderloos overleden oom. Hoewel hij schijnbaar luxueus leefde (volgens de Chronycken van Gheel “droeg hij met zwier de pluimen op de hoed, en de degen aan zijn zij; lakeien, paarden, troepen jachthonden en valken stonden hem ten dienste”) toch was hij allesbehalve vrij van zorgen. Genoemde Jan IV de Merode, schoonvader van zijn heer, Jan van Wittem, stond immers aan de zijde van de Staatse opstandelingen onder leiding van Willem de Zwijger van Oranje, terwijl Jan van Wittem aan de zijde stond van  de Spanjaarden.
Jan van Cauwegom en zijn familie stonden aan de zijde van de Spaanse overheerser. Alzo kwam hij, samen met zijn werkgever, in conflict met Jan IV de Merode. Deze had namelijk in zijn kasteel bij Lanaken de weduwe van de tien jaar tevoren door Alva onthoofde Egmont geherbergd, en stelde op eigen kosten een Staatsregiment samen. Zijn kasteel werd echter door de Spanjaarden ingenomen en diende tot hoofdkwartier van Alexander Farnese. Intussen ging Jan IV de Merode de Franse bondgenoten van de opstandelingen, o.l.v. de hertog van Anjou, in Antwerpen officieel verwelkomen.
Op het ogenblik dat gans het Zuiden in handen was van de Staatse opstandelingen trachtte Jan van Wittem  in 1581 Bergen-op-Zoom, dat hij door zijn huwelijk had verkregen, van hen te bevrijden. Daarop verklaarde de Staten Generaal hem vervallen van Bergen-op-Zoom en gaf het aan de Prins van Oranje. Door de onveilige toestand liet de oude drossaard van Geel, Jacob de Baronaige, zijn ambt in 1583 in de steek ten einde zich in veiligheid te brengen.  Intussen sleepten de Spaanse troepen op hun doortocht in het onbezette Geel aanzienlijke hoeveelheden opgeëiste voorraden mee. Maar ook de Staatse garnizoenen van Herentals, Westerlo trokken er regelmatig op af “om er de laatste stuiver uit te persen”.
Jan van Cauwegom die terug ingetrokken was bij zijn ouders in de Nieuwstraat, ging ondertussen samen met gans zijn familie en met het dienstpersoneel dagelijks ter kerke. Toen de Staatse troepen uit Herentals verschillende Gelenaars hadden gegijzeld trok hij naar Herentals en slaagde er in de gijzelaars vrij te krijgen. Dit had tot gevolg dat naast de bevrijde gijzelaars ook gevluchte inwoners terugkeerden. Daaropvolgend ontzet Jan IV de Merode de gevluchte drossaard uit zijn ambt en stelt Jan van Cauwegom aan als drossaard van het land van Geel. Zo werd hij ook kastelein van Oosterlo waar hij op het kasteel bij de watermolen ging wonen.
Enkele maanden later valt een deel van het garnizoen van Mechelen Geel binnen, plundert de St.Dimpnakerk en neemt de kanunniken en andere priesters gevangen. Jan van Cauwegom verzamelt daarop de St.-Sebastiaansgilde, samen met andere Gelenaars en boswachters. Ze sluiten de plunderaars in, verplichten hen alles terug te geven, en jagen ze op de vlucht.  Daaropopvolgend werden de garnizoenen van Tongerlo en Westerlo uitgezonden om Jan van Cauwegom gevangen te nemen. Hij vlucht en vindt onderkomen bij zijn broer. De soldaten vierden dan hun woede bot op het ouderlijk huis en zijn inboedel en namen zijn vader mee naar Westerlo waar hij in het slot De Merode werd gevangen gezet. Jan van Cauwegom trekt dan naar Doornik om de toestand bij Alexander Farnese aldaar  aan te klagen. Deze benoemt hem tot drossaard, maar eens thuis vindt hij daar de orangist Ferdinand Lemmens die door de Merode in zijn plaats was benoemd. Jan vlucht naar Antwerpen, maar wordt aan de stadpoorten herkend als de broer van Hendrik en gevangen genomen (1584).
Zijn broer Hendrik, ook licentiaat in de rechten, en sinds 1583 raadsheer-pensionaris van de stad Brussel en lid van de Staten Generaal der Verenigde Provinciën, was, nadat hij tegen het voorstel van Willem de Zwijger, Prins van Oranje, gestemd had om de Nederlanden los te rukken van Spanje, op de pijnbank terechtgekomen en daarna in de gevangenis “De Vroente” in Brussel opgesloten. Even later wordt zijn echtgenote, Maria Molckemans, opgesloten in de Staatse gevangenis te Antwerpen. Vanuit hun respectievelijke gevangenissen wordt er dan tussen het echtpaar briefwisseling gevoerd. Enkele jaren later, in 1587, zal Hendrik ten gevolge van de ontberingen tijdens zijn gevangenschap vroegtijdig overlijden.
Zowel Jan als zijn broer Hendrik worden door de calvinistische opstandelingen ter dood veroordeeld. Doordat Farnese kort daarop doordrong tot Brussel, Antwerpen en de Kempen, werden beide echter bevrijd, en zo wordt Jan weer drossaard van Geel én van Westerlo, nu onder de schoonzoon van de Merode, Jan van Wittem. Hij kon Ferdinand Lemmens echter niet verdringen met als gevolg dat hij reeds einde 1585 ontslag nam.

Huwelijk en Gezin

De Geelse Schepenbank klaagt Ferdinand Lemmens nu aan bij Alexender Farnese wegens steun aan de Staatsgezinden, waarop Farnese hem laat arresteren en naar Brussel voeren terwijl hij de Merode vraagt om Jan van Cauwegom in zijn ambt te bevestigen. In 1588 huwt hij te Geel met Goelken van Dunne en in datzelfde jaar legt hij voor de Schepenbank de eed af als drossaard.
Maar weer keren de krijgskansen. Nadat Alexander Farnese vervangen werd door aartshertog Albrecht verslaat Oranje in januari 1597 het Spaanse leger in Turnhout. Beducht voor invallen ontslaat de Merode terug Jan van Cauwegom. Deze verdedigt zich bij landvoogd Albrecht die vraagt hem terug aan te stellen, wat gebeurt. Vier maanden later geeft Jan echter zijn ontslag uit eigen beweging. In april 1598 gaat hij met Goelken wonen in Turnhout. In 1599 nam zijn oudste halfbroer, Jan, pastoor in Vlierbeek, het ouderlijk huis in de Nieuwstraat over.
Vanaf die periode is er volledige verzoening met de Merode en hij trad weer in diens dienst. Tegelijkertijd werd hij raadsman van de Geelse Schepenbank.

Zoon Cornelis, wordt in 1617, op zijn beurt drossaard van Geel.

Vier jaar later, in 1621 overlijdt Goelken in Turnhout, maar wordt begraven in de St.Dimpnakerk in Geel.
 Jan trekt dan in bij hun oudste zoon Lodewijk, kanunnik en later deken van het Kapittel. (zie hieronder)  In 1646 overlijdt hij.
 

Oudste zoon, kanunnik Lodewyk van Cauwegom, graf en grafkapel

In de Gereberduskapel achter het hoogaltaar van de St.Dimpnakerk bevindt zich niet alleen het familiegraf van Goelken van Dunne, zie de foto's hieronder  maar ook het 17deeeuwse schilderij van haar daarin begraven zoon kanunnik Lodewyk (rode pijl)


Dit geschilderd portret van kanunnik Lodewyk van Cauwegom (1590-1651). toont het gezicht van een belangrijke gekende Gelenaar uit de 17de eeuw, één van de slechts drie gezichten die bekend zijn. De twee andere betreffen een andere kanunnik en een overste van het Gasthuis. Opvallend is dat dit schilderij gemaakt werd in 1627, toen Lodewyk ongeveer 30 jaar oud was. Vermoedelijk is het een geschenk geweest als dank voor zijn verdienste.  Te midden van de periode van godsdienstoorlogen zorgde hij er immers voor dat de beoefening van de eredienst in St.Dimpna in leven bleef, ook na de afkondiging van Het Plakkaat van Retorsie waarbij de geestelijkheid vogelvrij werd verklaard. Lodewyk was toen met de Gasthuiszusters naar Herentals gevlucht, maar kwam in het geniep terug om op de hoogdag van St.Dimpna de mis te doen.
Later, in 1636, werd dank zij hem de Broederschap van St.Dimpna opnieuw opgericht.  Lodewyk was niet alleen kanunnik en deken van het St.Dimpna-kapittel maar daarnaast ook nog rector van het Gasthuis, en in die hoedanigheid: biechtvader, aalmoezenier en geestelijk raadsman..
In zijn testament had hij gevraagd “om begraven te worden in de kapel en dat mijn sieraad (=het geschilderd portret) na mijn overlijden zou mogen blijven hangen in het koreke waar ik altijd de mis opdroeg”.
Het schilderij van Lodewyk hangt nu, gerestaureerd en wel, dank zij de bemoeienissen en sponsoring van gids Georges de Mayer op zijn oude plaats. Dit is echter nog maar zeer recent. Toen, vermoedelijk halfweg de vorige eeuw, de Gerebernuskapel begon dienst te doen om kuisgerief en begrafenis-attributen te stockeren werd het weggehaald en opgehangen in de Posson-kapel. Hier viel het ten prooi aan vocht en de staat ervan was tenslotte de meest erbarmelijke van alle schilderijen die in de kerk hingen. De verf was op gans het oppervlak omhoog gekomen en op meer dan één plaats verdwenen. Het was daarbij niet altijd even deskundig overschilderd. Het doek was onderaan vervormd en gescheurd langs de randen. Op de rugzijde waren oude vochtkringen te zien en het geheel was sterk vervuild. Het spieraam was vermolmd. Uiteindelijk werd het dan door de persoonlijke tussenkomst van Georges de Mayer en met steun van de kerkfabriek a.h.w. van de ondergang gered en na een zeer grondige restauratie op zijn oude plaats gehangen, waar we het nu in al zijn glorie kunnen bezichtigen.

Woning in de Nieuwstraat te Geel

De woning van Goelken van Dunne en Jan van Cauwegom bestaat nog altijd. Zowel de binneninrichting als de gevel hebben in de loop der eeuwen echter heel wat veranderingen ondergaan. De monumentale barokpoort die u op onderstaande foto nog kan zien werd in 1944 afgebroken.
De twee enorme, vroeg-17deeeuwse, bolvormige, arduinen schamppalen, die aanvankelijk de voordeur flankeerden waren omstreeks 1970 verdwenen. Na een intense zoektocht werden zij teruggevonden. Met de laatste eigenaars werd een overeenkomst bereikt, zodat ze tijdens de zomer van 2014, na restauratie, weer op hun originele plek konden teruggeplaatst worden. Deze zogenaamde “Bollen van de Deken” kregen hun naam doordat eertijds de dekenij in deze woning was ondergebracht. Volgens een oud Geels volksgeloof hadden de Bollen een heilzame werking op al wie er op ging zitten. 
Het huis van Goelken van Dunne en haar man Jan van Cauwegom werd niet door hen gebouwd. Het behoorde oorspronkelijk toe aan de van Swertgoors, waarvan een dochter huwde met Merten van Cauwegom, grootvader van Jan. Aanvankelijk, na hun huwelijk in 1588, had het echtpaar elders in Geel zijn intrek genomen. De ouders en grootouders van Jan waren immers aanzienlijke burgers in deze stad (zie verder).
de woning in 1909 en in 2014
In de loop der eeuwen kreeg dit huis nog heel wat bestemmingen: van 1730 tot 1970 was het in gebruik als pastoorswoning van de dekenij, daarna als politiecommissariaat, nog later werd het dagcentrum van het OCMW erin ondergebracht en daarna heeft het even dienst gedaan als kringloophuis.
Tenslotte werd de woning, waarvan de waarde in 2011 op €960.000 werd geschat, door het OCMW bij toewijzing verkocht aan de schoenen- en leder-warenwinkel Pedico. Na een grondige renovatie, waarbij er achteraan fors werd uitgebreid, opende de zaak, die daarvoor in de Nieuwstraat 88 gevestigd was, hier in 2014 haar nieuwe winkel. Alhoewel het complex niet beschermd is, staat het op de lijst van waardevolle gebouwen en waren er heel wat beperkende maatregelen voor wie wil verbouwen. Toch slaagde men erin bij de verbouwing de winkelruimte tot 1.150 m2 te vergroten. Hiervoor zorgde o.m. een enorme patio die achteraan werd bijgebouwd.  Eén jaar en drie dagen na de opening, op 13 april 2015, werd de volledige nieuwbouw een prooi van de vlammen nadat een pyromane uit Turnhout, die even verder in de Nieuwstraat werkte, de afvalcontainer aan de zijkant van het gebouw in brand stak.  De schade was zo aanzienlijk dat de volledige nieuwbouw diende afgebroken. De gewezen woning van Goelken van Dunne, waarin de nieuwe eigenaars met hun gezin op de eerste verdieping woonden, kreeg daarbij zeer zware rookschade.
 
 
 
 

Thema

Regio