Cornelius van Dun(ne) (1483-1577) Lijfwacht & Kamerheer van Koning HendrikVIII tot Elisabeth I

 
Door Fonny van Dun, uit zijn "Het eerste Dunboek",H8,2001 en aanvullingen.

Overname, geheel of gedeeltelijk, van al deze teksten, op welke wijze ook, is UITSLUITEND toegestaan na uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de auteur en mits bronvermelding.

DEZE TEKST werd BEWERKT, AANGEVULD en naar het ENGELS vertaald door Lucas van der Hoeven, met instemming van Fonny van Dun, auteur van alle artikelen op deze van Dun-website. U kan de herwerkte tekst vinden op:
http://www.cbsm.nl/upload/artikelen/cornelius_van_dun_ne_1483_1577.pdf
Tevens is zijn Nederlandse bewerking te consulteren op de website van het BHIC (Brabants Historisch Informatie Centrum): 
 https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/cornelius-van-dun-lijfwacht-ceremoniemeester-van-de-tudors 

 We distanciëren ons volledig van publicaties of artikels die een zogenaamde "aanvulling" of "correctie"  op onderhavige teksten voorstaan en beschouwen die als een subtiele manier om plagiaat te verdoezelen.

 

In de St.Margaret’s Church in Londen, gelegen naast Westminster Abbey en recht tegenover het parlementsgebouw bevindt zich een halfverheven beeldhouwwerk van Cornelius van Dun(ne), alias Cornelys van Don(Vandon).

Dit epitaaf van Cornelius van Dun is niet alleen het oudste te bezichtigen grafmonument in de St. Margaret's kerk maar tevens de oudst gekende afbeelding van een Engelse paleiswacht en is voorzien van de koninklijke initialen (E * R = Elisabeth Regina), waartussen de Tudorroos, symbool voor de Tudor koningen.
De tekst rond zijn borstbeeld van Cornelius, dat zich bevindt op de linkerbinnenmuur van de kerk, luidt :
*   OBIIT  ANNO     *   DOMINI  1577
*   BURIED  YE  4  OF  SEPT     *   AETATIS  SUAE  94
"CORNELIUS VAN DVN lieth here, borne at Breda in Brabant,
     souldiour with K.Henry at Turney, yeaman of the gard and usher
to K.Henry, K.Edward, Q.Mary and Q.Elisabeth, of honest and
   vertuous lyfe, a carful man for pore folk, who in the ende of this
   town dyd buyld for pore widowes 20 howses of his owne coste."
 
vertaald : "Cornelius van Dun ligt hier, geboren in Breda in Brabant, soldaat met Koning Henry bij (de belegering en inname) van Doornik, lijfwacht en ceremoniemeester van Koning Hendrik, Koning Edward, Koningin Mary en Koningin Elisabeth, die een eerlijk en deugdzaam leven leidde, een zorgzaam man voor arme mensen, die in de buitenwijken van deze stad voor arme weduwen 20 huizen liet bouwen op zijn eigen kosten."
 
De St. Margaret's-kerk is de peterkerk van het Engelse Lagerhuis. In 1945 werd er door het Lagerhuis een speciale dankdienst gehouden, zowel na het einde van de oorlog met Duitsland als na het einde van de oorlog met Japan. De volksvertegenwoordigers komen er nog elke maand bijeen om er de mis bij te wonen. Elk jaar, tijdens de Advent, houdt de Eerste Minister er een lezing. Het is tevens de kerk van de hogere burgerij. O.m. Winston Churchill is er gehuwd.

Het mag een wonder heten Cornelius zijn grafmonument de beeldenstorm van 1643-1644 overleefde. Onder het revolutionair bewind van Cromwell werd er toen immers een order uitgevaardigd om alle monumenten in de kerken te vernietigen, waarbij er aan de kerkmeesters en andere functionarissen het bevel werd gegeven hierbij behulpzaam te zijn.  Noch de glasramen, noch de beelden in St. Margaret's kerk werden daarbij ontzien.  De koperen gedenkplaten van de grafstenen, alsook de orgelpijpen, werden per stuk verkocht. Heeft de toen nog bestaande stichting van Cornelius bijgedragen tot het behoud van zijn epitaaf ? Ook tijdens de tweede Wereldoorlog werd er door de bombardementen op Londen veel schade toegebracht, zowel aan de kerk als aan het interieur. Zo werd een groot deel van de glasramen door de explosies vernietigd. 
In zijn testament drukte Cornelius de wens uit hier begaven te worden, zoals eertijds gebeurde met zijn vrouw. Deze wens werd ook vervuld. Hierbij kreeg hij echter, zoals zichtbaar op bovenstaande foto's, een eigen epitaaf  Ook werd zijn naam gegeven aan de Vandon Street, die zich toen bevond in de "buitenwijken" van Londen (= nabij het huidige Buckinham Palace), en later aan de Vandon Passage, het Vandon House Hotel, en het Vandon Court alwaar zich een deel bevond van de 20 huizen die hij voor arme weduwen liet bouwen.  Hij was alzo de voorloper van de Openbare Onderstand in Londen (zie verder).  

Afbeeldingen van Cornelius van Dun - Unieke afbeelding van een Yeoman of the Guard.            

Het half verheven beeldhouwwerk  van Cornelius van Dun is niet alleen het oudste te bezichtigen grafmonument in de St. Margaret's in Londen  maar tevens de oudst gekende afbeelding van een Engelse paleiswacht met de koninklijke initialen (E * R = Elisabeth Regina, de roos tussen de twee letters is de typische “Tudorroos”).  De foto rechtsonder toont het grafmonument zoals het er vandaag uitziet, in de loop der tijden werd het namelijk zwaar beschadigd. In het boek “The Yeomen of the Guard”, verschenen in 1937, vermeldt men “His monument is now very worn and details of his dress are indistinguishable” (Het monument is nu in zeer slechte staat en details van zijn kleding zijn niet te onderscheiden). Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou het bij de bombardementen op Londen nog verder beschadigd worden.  Spijtig genoeg gebeurde de restauratie niet al te vakkundig:
    een deel van de hermelijnen kraag werd namelijk omgezet in een vollere baardgroei. Ook het aangezicht werd sterk verbreed.
Een vergelijking met zijn portret  in de NATIONAL PORTRET GALLERY in LONDEN  brengt dit aan het licht. Het betreft een pentekening van Thomas Trotter, getekend naar het originele beeldhouwwerk in St. Margaret's, gepubliceerd in 1794.
  Dank zij deze pentekening kunnen we weten hoe Cornelius van Dun(ne) er moet uitgezien hebben. Zijn afbeelding op het epitaaf geraakte immers, onder meer tijdens de 2de wereldoorlog zwaar beschadigd en werd vervolgens niet zorgvuldig gerestaureerd (zie verder).
Hieronder een deel van een groot schilderij waarop Hendrik VIII driemaal te paard wordt afgebeeld in de koninklijke stoet n.a.v. het “Goudlakenkamp” nabij Calais op 24  juni 1520. Het schilderij is niet exact waarheidsgetrouw, toch kunnen we ons hiermee goed voorstellen hoe Cornelius van Dun zich zal bevonden hebben tussen zijn collega’s van The Yeomen of the Guard

 
Naam van Cornelius

 Hoewel hij in de meeste Engelse teksten omschreven wordt als “Cornelius VAN DON (or VANDUN)”, is zijn oorspronkelijke naam “van Dunne” (zij het soms vermeld als “Van Danne”) terug te vinden in een boek betreffende de Londense St. Margaret’s-parochie, genaamd “The Will Book of St. Margaret’s, Westminster”, evenals in het boek “The Almshouses of London”, waarin men schrijft : “Cornelius Van Danne - his name being anglicised to Vandon”.  In de hiernavolgende bespreking zullen we gemakkelijkheidshalve de naam Cornelius van Dun gebruiken.

 

 Gezinstoestand en bezittingen van Cornelius

Uit het archief van Westminster City weten we dat hij gehuwd was met een zekere GYLBARTE, die op 31 mei 1568 in St. Margaret's te Londen werd begraven, en dat zij hem bij haar dood ogenschijnlijk geen wettelijke erfgenamen naliet. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij zijn vrouw leerde kennen in Doornik en dat zij hem naar Londen vergezelde. Hier tasten we echter volledig in het duister. 
In de databank van Geneanet (zie bibliografie) meldt men dat er in het jaar 1500 in de onmiddellijke omgeving van Doornik 166 Gylberte-voornamen aangetroffen werden*, in deregio van Duinkerken 222, in de regio van {En-}guinegatte en onmiddellijke omgeving meer dan 300 en in gans Frans Vlaanderen meer dan 1150, terwijl er slechts 22 Gilberte’s in Londen worden vermeld en 63 in gans Engeland en Schotland. Voor de ruime regio van Doornik komt men op 311 Gilberte's. In Nederland werd de naam omzeggens niet aangetroffen. *Varianten  Ghilbertha, Gilberthe, Giliberte, Giliberthe, Jilberte.
 Al had hij vermoedelijk geen wettelijke erfgenamen op de dag van het overlijden van zijn vrouw Gylbarte in 1568, toch blijkt uit zijn testament (zie verder) dat hij nakomelingen moet gehad hebben, zeker in vrouwelijke lijn. Bij zijn overlijden liet hij bij testament immers bezittingen na aan zijn dochter GARTHERED, gehuwd met Walter Freeman, en aan zijn schoondochter, LUCE AWDRYNS, die weduwe was, of gescheiden (NOOT 1), van een zekere Hawnce en die hertrouwd was met John Awdryns. De meeste bezittingen liet hij echter na aan zijn peetzoon PETER MACKRELL en aan diens moeder MARY MACKRELL, die hij omschrijft als zijn bloedverwante.
Voor de omschrijving van zijn bezittingen, die hij bij testament alle wegschonk, verwijzen we naar de tekst zelf van het testament waarvan we elders een fotokopie publiceren, alsook de ontcijfering en de vertaling naar het Nederlands, beide van de hand van Rombout Leo van Dun (Mechelen 1919-2004).

Leven van Cornelius van Dun
Over Cornelius zijn afkomst hebben we tot hiertoe omzeggens geen gegevens. We konden immers niet achterhalen wie zijn voorouders echt waren. Aangezien hij afkomstig was van Breda moet hij afstammen van één van de aldaar gevestigde van Dun-families.  Zolang we de namen van zijn ouders niet kennen blijven we echter in het duister tasten. Rekening houdend met de status die hij aan het Engelse hof had vermoeden we dat hij uit een aanzienlijke (brouwers?)familie stamde. Maar niets is zeker. Ook over de afkomst van zijn vrouw hebben we geen gegevens.
Normaal hadden we heel wat informatie over Cornelius kunnen terugvinden in de archieven van de Yeomen of the Guard die in St. James Palace werden bewaard. Deze zijn aldaar echter tijdens een grote brand in 1809 onherroepelijk verloren gegaan. Vandaar hebben we ons verplicht gezien om via andere archiefstukken informatie over hem in te winnen. Dit is echter niet zo evident.  Hoe dan ook de gegevens die door ons werden verzameld zijn uitsluitend gebaseerd op historische feiten, en kunnen uiteraard geverifieerd worden.
 
We kunnen hierbij niet nalaten te waarschuwen voor enkele vulgariserende publicaties die over Cornelius van Dun zijn verschenen en waarvan de inhoud historisch totaal niet strookt met de werkelijkheid. Zo is er o.m. een verslag over onze naamgenoot in een dagbladartikel in de STEM (van Breda), waarbij een Bredase journalist die een bezoek brengt aan de St.Margaret’s-kerk in Londen hierover onder de titel “Een Bredanaar in Londen” een mooi en opvallend artikel schrijft dat, echter heel wat historische onnauwkeurigheden en zelfs totaal foutieve informatie bevat. Toch zijn we deze auteur zeer dankbaar: het is dank zij dit artikel, dat ons in 1996 onder ogen kwam, dat we op zoek zijn gegaan naar de ware toedracht.
Cornelius van Dun leefde tijdens een der woeligste én tevens boeiendste perioden van de Westerse geschiedenis. Toen hij 9 jaar oud was zette Columbus voet aan wal in Amerika, en begon alzo de periode van de ontdekking van de Nieuwe wereld. Op 34-jarige leeftijd maakte hij het ontstaan en de opkomst van het protestantisme mee. Hij was een tijdgenoot van Keizer Karel, Machiavelli, Erasmus, Thomas Morus, Luther, Calvijn, Leonardo da Vinci, Botticelli, Quinten Matsijs, Titiaan, Rafaël,  Pieter Bruegel, Mercator, Vesalius e.a.
 
a) Eerste periode : soldiour and yeoman of the guard
Cornelius is geboren uit een Bredaas van Dun-geslacht en kwam vermoedelijk in 1512 als soldenier in dienst van Hendrik VIII.  In dat jaar stuurde de Engelse koning Hendrik VIII immers een ambassadeur (Sir Eduard Poynings) op missie naar de Nederlanden, en meer specifiek naar Brabant, ten einde krijgslieden te rekruteren met het oog op zijn geplande inval in Frankrijk.  Deze vond plaats in de zomer van 1513, samen met de inval van de legers van Maximiliaan van Oostenrijk (bestaande uit gehuurde Zwitserse landsknechten) en van Ferdinand van Aragon (de toenmalige schoonvader van Hendrik VIII). Het leger van Hendrik VIII, bestaande uit ongeveer 30.000 à 50.000 krijgslieden (naargelang van de bron), belegerde o.m. Doornik (toen in Franse handen), dat na één week, op 23 september, werd ingenomen.
 De tekst op het grafschrift van Cornelius verwijst hier zeer duidelijk naar (“souldiour with King Henry at Turney”). Waarschijnlijk omwille van zijn verdiensten werd hij daarna opgenomen in de persoonlijke lijfwacht (Yeomen of the Guard) van de koning, die tijdens het beleg van Doornik 800 man sterk was. Deze opname is niet vanzelfsprekend, de overgang van soldenier naar yeoman of the guard lag immers niet voor de hand.  Met de laatste rang genoot men immers veel meer aanzien en bedroeg de soldij minstens de helft meer.
links een afbeelding van de Slag bij Guinegatte die onmiddellijk voorafging aan de bezetting en de inname van Doornik. Doornik is daardoor de enige nu Belgische stad die ooit in bezit van de Engelsen is geweest. De stad werd op 23 september 1513 door Hendrik VIII ingenomen, aan het hoofd van een leger dat o.m. bestond uit Brabantse huursoldaten, en werd pas zes jaar later omwille van de te hoge bezettingskosten aan Frankrijk teruggegeven
Terwijl Hendrik VIII dat jaar, op 13 oktober, de terugreis aanving, bleven er 5.000 soldaten te Doornik achter, waaronder 400 van zijn lijfwachten. Er werd een versterkte vesting gebouwd, waarvan de "Tour Henri VIII", met muren van 8 m dikte, nu nog het enige overblijfsel is.  Dit bouwwerk is nog altijd binnenin te bezichtigen. Overblijfsel hiervan zijn ook nog de verschillende Engelse muntstukken uit die tijd, die, op bevel van Hendrik, in Doornik werden geslagen, met zijn beeltenis en met het Engelse wapen. Bij de definitieve ontruiming van Doornik door de Engelse troepen, op 9 februari 1519, werden de soldaten naar huis gestuurd, terwijl de nog ongeveer 330 achtergebleven yeomen of the guard de hofhouding van Hendrik te Londen vervoegden          
 

Toen de Engelse koning dan in 1526 zijn hofhouding uit bezuinigingsoverwegingen reorganiseerde, bleven er nog slechts 12 persoonlijke lijfwachten over, waaronder ongetwijfeld onze Cornelius van Dun. Mogelijk was hij op dat ogenblik zelfs reeds bevorderd tot één van de 4 "gentlemen ushers serving as waiters",nobele ceremoniemeesters die tegelijkertijd als persoonlijke lijfwacht van de koning optraden.
Alhoewel Cornelius op het epitaaf vermeld staat als "soldiour" with King Henri is het niet zeker dat hij veel zal gevochten hebben. Indien wel dan hoogstwaarschijnlijk niet nadat hij lijfwacht werd van Hendrik VIII en zeker niet in zijn functie van "Usher".  Als Yeoman of the Guard was het immers zijn taak en plicht om de koning (respectievelijk de koningin) te beveiligen en te dienen. In Doornik zelf werd er geen slag geleverd. De stad werd ingenomen na een belegering van acht dagen, zonder dat het tot een aanval kwam. De geschiedschrijving vermeldt daarbij dat vanaf 1544, dus nog onder het bewind van Hendrik VIII, de yeomen of the guard niet meer deelnamen aan krijgsverrichtingen (zie NOOT 2).
Het uniform waarin Cornelius van Dunne op zijn epitaaf in de St.Margaret's Church staat afgebeeld beantwoordt aan de ceremoniële kledij van een Yeoman of the Guard tijdens het Tudor tijdperk vanaf 1530.
Nevenstaande afbeeldingen geven dit goed weer: Rechts bovenaan de vermelding  H O R:  'Hendrik [Tudorroos) Rex' - daaronder : E O R; 'Elisabeth [Tudorroos] Regina'
Dit was echter niet altijd zo.. Sinds 1501 waren The Yeomen of the Guard, die in 1485 door Hendrik VII waren opgericht immers gekleed in een uniform met de Tudorkleuren groen en wit, in vertkale strepen. Soms werd hier wel van afgeweken en was het uniform bruin, soms zelfs, zoals bij de begrafenis van Hendrik VII volledig zwart. Hieronder, links, een andere afbeelding van een yeoman of the guard in 1575 tijdens Elisabeth I :
De linkse personen op de rechterafbeelding dragen het Tudoruniform in groen en wit, van de Yeomen of the Guard zoals zij dit droegen bij de inval in Frankrijk in 1513 en zoals het gangbaar was tot 1520.  Vanaf dan komt het rode ceremoniële uniform, dat Hendrik VIII liet ontwerpen n.a.v. "The Field of the Golden Cloth" in 1520 meer en meer op de voorgrond, om na 1530 de bovenhand te halen.
 
b) Tweede periode: yeoman of the guard and usher
Cornelius van DUN bleef de functie van yeoman of the guard, respectievelijk van usher, bekleden onder de opvolgers van Hendrik VIII : Edward VI, Mary Tudor en Elisabeth I, en dit totdat hij op 94-jarige leeftijd overleed.
Hij moet een verdienstelijk persoon geweest zijn om die vertrouwensfunctie zo lang te hebben mogen uitoefenen onder de opeenvolgende vorsten, die op godsdienstig gebied telkens een andere koers voeren (zie overzicht hierna). Kwatongen insinueren dat dit slechts mogelijk zou geweest zijn door een kruiperige of schijnheilige levenswandel. Hierbij gaan ze echter voorbij aan het feit dat het geschiedkundig vaststaat dat de 11 raadsleden die Elisabeth I aanstelde allen behoorden tot de groep van 30 die onder haar halfzuster Mary Stuart (Bloody Mary) hadden gediend en die bijna allemaal betrokken waren geweest bij de regering onder haar vader (Hendrik VIII) en haar halfbroer (Edward VI).  Wel verloren een aantal vertrouwelingen tijdens de dynastie van de Tudors hun hoofd, toen ze in ongenade vielen omwille van politieke onenigheid of al dan niet gepleegd verraad.  Uit niets blijkt echter dat Cornelius van Dun enige politieke rol speelde. Trouwens uit het hier in aanvang geciteerde werk van Thomas Preston blijkt dat Cornelius  zijn positie echt niet zo uniek was. Inderdaad: in de St.George’s Chapel in Windsor bevindt zich naast de noordelijke deur het graf van de George Brook die overleed op 24 oktober 1593.  De gedenkplaat aan de muur aldaar bevat de volgende tekst"He was a Yeoman of the Guard unto Henry VIII, Edward VI, Mary, and Elisabeth". Een bijkomende inscriptie vermeldt daarbij dat zijn grafschrift in 1707 hersteld werd "op kosten van Edward Phillips, Burger en Kleerhandelaar te Londen en een van de 100 Yeomen of the Guard van Koning William III, koningin Mary II en koningin Anne. Dit alles duidt er m.i. nogmaals op dat deze vertrouwensfuncties eigenlijk een soort ambtelijk statuut hadden, a.h.w. benoemd voor het leven, en niet onderhevig aan politieke wisselvalligheden. Uit de “Acts of the Privy Council of England”, alsook uit “The Letters and Papers, Foreign and Domestic, of the Reign of Henry VIII”, leren we dat Cornelius in 1546 (op 63-jarige leeftijd !) een paspoort werd verleend voor een zending, te paard, naar Duitsland, en dit in gezelschap van een andere hofdienaar.
  Engelse diplomatieke delegatie in Wenen in 1567, links 2 gentlemen ushers.

 

Queens servant

Uit de “Acts of the Privy Council of England”, alsook uit “The Letters and Papers, Foreign and Domestic, of the Reign of Henry VIII”, leren we dat Cornelius in 1546 (op 63-jarige leeftijd !) een paspoort werd verleend voor een zending, te paard, naar Duitsland, en dit in gezelschap van een andere hofdienaar. In mijn onderzoek naar de omstandigheden en de redenen van deze zending kwam ik terecht bij een andere uitgave van The Letters and Papers, Foreign and Domestic, Henry VIII, waar in Vol.23, records 360-373, may 1546, letterlijk de volgende aanduiding staat: ”Cornelys Vanden, the Queen’s servant, had passport towards Almain”(Duitsland). Deze tekst werpt een totaal ander licht op de positie van Cornelius van Dun aan het Engelse hof.
Acht maanden voor de dood van de zwaar zieke Engelse Koning Hendrik VIII was hij immers klaarblijkelijk niet in dienst van de koning zelfmaar was hij de persoonlijke dienaar van koningin Catharina Parr, de zesde (en laatste) vrouw van Hendrik VIIIDit sluit echter de mogelijkheid niet uit dat hij door Hendrik VIII op zending zou gestuurd zijn, en het is zeker niet onwaarschijnlijk: ook de secretaris van Catharina Parr, Walter Buckler, werd, zelfs meermaals en langdurig, op buitenlandse diplomatische missie gestuurd:
cf.: “Buckler was a known supporter of the Prostant Reformation and in 1545 was sent on a year-long embassy to the German princes. In January 1545 he and Chrstopher Mont were dispatched to Germany by Henry VIII, entrusted with the task of attempting to create an alliance between England, the German princes, and the King of Denmark”. (REF.: Preface/Letters and Papers, Foreign and Domestic, Henry VIII. Volume 20 Part 1 p. I-LXII).  
Diplomatieke missies behoorden trouwens tot het takenpakket van de yeomen of the guard (zie NOOT 3a en 3b onderaan)
Wat de aard van Cornelius zijn opdracht was wordt, spijtig genoeg, niet vermeld. Het is goed mogelijk dat zij van diplomatieke aard was of misschien vergezelde hij een vertrouweling van het Hof in verband met één van de hierna vermelde gebeurtenissen:
1.     In het begin van 1546 was er een reële hongersnood in Engeland, o.m. ten gevolge van een aantal mislukte oogsten, en  diende men graan te kopen in Denemarken en “Bremmerland” (de streek rond Bremen in Duitsland).
2      Begin 1546 dienden er echte noodmaatregelen genomen te worden, zoals: onedel metaal in de Engelse munten (waardoor devaluatie), verkoop van landgoederen van kloosters, ontbinding van rijke kerkelijke stichtingen en hospitalen en leningen op het vasteland.  De geldschieters van die tijd, de Fuggers, die in Duitsland gevestigd waren (maar ook een kantoor hadden in Antwerpen) weigerden ditmaal echter over de brug te komen.
3.     Naar aanleiding van de veelvuldige aanvallen, in de zomer van 1545, van Franse oorlogsschepen op de Engelse kusten, moest Hendrik VIII zijn toevlucht nemen tot het aantrekken van huursoldaten wat duur was en veel problemen met zich meebracht. Spanjaarden, Albanezen, Italianen, inwoners van Kleef, Zwitsers en Duitsers waren allemaal gerekruteerd om Engelse troepen aan de Schotse grens te versterken en het leger in Frankrijk aan te vullen ….… Hendrik had de Duitse kapitein Frederick von Reiffenberg (voor drie maanden) ingehuurd nadat de man in een brief uit Keulen zijn diensten had aangeboden. … Helaas weigerde Karel V de huurlingen toestemming om door Brabant te trekken op weg naar Bologna en ze schopten herrie .… De keizer klaagde dat de huursoldaten ‘onmetelijke schade’ in het gebied rond Trier hadden aangericht en toen via Aken aan  de overkant  van de Maas door zijn territorium waren getrokken en ‘zich met geweld toegang hadden verschaft tot Wesel, de stad van de bisschop van Luik’  Toen begonnen de Duitse bevelhebbers ruzie te maken over de precieze bepalingen en voorwaarden van hun contract met Hendrik. Ze gijzelden hun Engelse verbindingsofficieren. Hendrik eiste dat de gevolmachtigden werden vrijgelaten en dreigde …. Maar de Engelse dreigementen werden gemakkelijk genegeerd en het geld werd niet teruggegeven, hoewel de ongelukkige gijzelaars uiteindelijk werden vrijgelaten 

Opzoekingen naar meer gegevens over het leven zelf van Cornelius hebben tot hiertoe weinig nieuws opgeleverd.De grote brand van St.James Palace in de 18de eeuw heeft o.m. het archief over de yeomen of the guard in de vlammen doen opgaan. Ook over zijn familie of zijn nakomelingen in Londen weten wij niet zoveel. Verdere opzoekingen kunnen hier misschien enige aanvulling geven.

 
c) Derde periode    De ARMENHUIZEN  van  CORNELIUS
Op 18 december 1569, op 86 jarige leeftijd, ontving Cornelius op zijn aanvraag land van de Deken van het Kapittel van Westminster, teneinde daar armenhuizen op te richten. Deze grond lag aan de rand van het toenmalige Londen, zowat tussen het huidigeSt. James Park, waar Hendrik VIII indertijd zijn jachtpartijen hield, en het huidige Buckingham Palace.
Op 30 juni 1572 kreeg hij toelating om aldaar 2 groepen armenhuizen te bouwen.
Zij werden gebouwd op het  zuidwestelijk uiteinde van Petty France en werden zo "The Petty France Almshouses" genoemd, of ook "The Red Lion Almshouses" (de armenhuizen van de Rode Leeuw). Een Engelse auteur vermeldt hier “naar het wapenschild van Cornelius, de rode leeuw van Brabant”  (zie NOOT 4).  In deze huizen woonden telkens 2 arme weduwen, die daartoe werden aangeduid door de Deken van Westminster, de kapelaan van de parochie en twee kerkmeesters. Zoals men op de onderstaande tekening u kan zien werden zij opgetrokken in vakwerkstijl, met lemen muren.

De eerste reeks huizen bevond zich op de plaats waar zich nu de VANDON Street bevindt.
Iets verderop, bij St. Ermin's Hill, liet hij later nog een reeks armenhuizen bouwen en wel in Caxton Street.
 De nevenstaande print dateert van 1852.  Enkele jaren later, in 1859 werden de gebouwen afgebroken omwille van hun desolate staat. Opvallend hier is de totaal andere bouwstijl: terwijl de huizen in Petty  France in vakwerkstijl werden met  lemen muren, blijken deze huizen opgetrokken in baksteen, een luxe, die alleen zeer rijke personen zich toen konden veroorloven.
De hovingen voor deze huizen dienden daarbij om te voorzien in de voedselbehoeften van de bewoonsters. De bouw van de armenhuizen ging gepaard met de oprichting van een Fonds, dat opgericht werd voor 99 jaar, en waarvan de gelden zowel moesten dienen voor de voorziening in het levensonderhoud van de bewoonsters als voor de noodzakelijke herstellingswerken. De meesten van deze bewoonsters werden daarbij als huisbewaarsters tewerkgesteld.
De Deken en het Kapittel vernieuwden dit initiatief tot en met 28 maart 1805; bij het overlijden van de toenmalige bewoonsters zou het Fonds dan automatisch uitdoven. Mettertijd geraakten de huizen in verval, en op 11 april 1859 werd de opdracht gegeven de nog resterende armenhuizen op St. Ermin's Hill te slopen. Op dit ogenblik bevindt zich daar een luxueus hotel (in Caxton Street).
Het voorbeeld van Cornelius werd 23 jaar later gevolgd door Anne, Lady Dacre, die bij haar overlijden in 1595 bij testamentaire beschikking het Emmanuel Hospital liet bouwen op Tothill Fields.   Op de plaats van de armenhuizen van Lady Dacre staat nu de St. James Court Building.
In de 17de eeuw volgden ook nog andere lokale weldoeners het voorbeeld van Cornelius.
De hiernavolgende kaart van Westminster City, Londen, dateert van het einde van de 16de eeuw. In de linkerbovenhoek stonden de huizen van Cornelius.  
Hieronder het huidige stratenplan van Londen met de VAN DONstreet, uitgevend op Buckingham Gate.

Het kan niet genoeg onderlijnd worden dat Cornelius in Engeland de voorloper was van gestructureerde liefdadigheid, of van wat bij ons de "openbare onderstand" heet. De kloosters legden aldaar immers geen initiatieven op dit gebied aan de dag, zoals dit wel het geval was bij ons. De zo geroemde gastvrijheid van de kloosters gold uitsluitend voor personen van adel en van aanzien. Door de bouw van armenhuizen, met het daaraan verbonden fonds voor de ondersteuning van arme weduwen, was Cornelius wellicht de eerste niet-vorstelijke persoon die zulks deed. Alleen Hendrik VII, diens moeder, Margaret, en Hendrik VIII hadden tot dan toe, zij het telkens eenmalig, een armenhuis opgericht.
 
De reden waarom Cornelius dit initiatief nam kennen we niet en is dus voer voor speculatie. Toch willen we hier even bij stilstaan, daar ze misschien kan verklaren waarom hem na zijn overlijden de niet te onderschatten eer te beurt viel van een epitaaf in St. Margaret’s Church.
Toch willen we hier even bij stilstaan, daar ze misschien kan verklaren waarom hem na zijn overlijden de niet te onderschatten eer te beurt viel van een epitaaf in St. Margaret’s Church.
Het belang hiervan kan inderdaad moeilijk overschat worden: terwijl ook andere, adellijke en Engelse, Yeomen of the Guards schenkingen deden en enkelen daarvoor al eens herdacht werden met een borstbeeld of dgl. in hun plaatselijke kapel of elders (zie NOOT 5), is dit toch van een gans andere orde. Dat de naam “Vandonstreet”* gegeven werd aan de plaats waar zich een deel van Cornelius zijn armenhuizen bevond kunnen we nog logisch verklaren. Temeer daar de realisatie hiervan gepaard ging met de oprichting van een stichting die pas drie eeuwen later was uitgedoofd. Maar die naamgeving verklaart niet waarom hij als enige niet Engelsman met een epitaaf in een toch niet onbelangrijke kerk werd bedacht.
*de namen Van Don-passage, Van Don-court en Van Don- House hotel zijn van latere datum en vloeien m.i. gewoon voort uit de straatnaam.
Een mogelijk antwoord werd me aangereikt door Lucas van der Hoeven.
Hij vestigde mijn aandacht op de figuur van Juan Luis Vives (1493-1540) en zijn in 1526 uitgegeven boek “De Subventione Pauperum” (over de hulp aan de armen).
 In dit boek beschrijft Vives het hoe, wat, en waarom van de individuele liefdadigheid en de openbare armenzorg. (Het is een basistekst die trouwens  is opgenomen in de Nederlandse canon van het sociaal werk). Zowel de inhoud van dit werk als de biografische gegevens over Juan Luis Vives zijn belangrijk om Cornelius zijn liefdadigheid te kaderen en ietwat begrijpelijk te maken.
 Zoals Lucas van der Hoeven aangeeft in zijn Engelstalige vertaling en bewerking
(http://www.cbsm.nl/upload/artikelen/cornelius_van_dun_ne_1483_1577.pdf)  van dit artikel van Cornelius van Dun, maakte Juan Luis Vives op aandringen van zijn vriend Erasmus een uitgebreid commentaar op het werk “De Civitate Dei” van Sint Augustinus dat in 1522 werd uitgegeven met een opdracht aan Hendrik VIII.
Tussen 1523 en 1528 verbleef  deze Spaanse renaissance humanist, die in Brugge woonde, verschillende keren in England. Hij maakt er kennis met Thomas Morus gaf les in Oxford, kwam door zijn goede verstandhouding met Thomas Morus in de gunst van koningin Catharina van Aragon en kwam alzo aan het hof van Hendrik VIII en de koningin waar hij werd aangesteld tot leraar van hun dochter prinses Mary die in 1553, na het overlijden van haar halfbroer Edward VI op haar beurt koningin was, tot haar dood in 1558.
 Waarom is Juan Luis Vives zo belangrijk?
Volgens Willem Jan Otten   -die een uitgebreid voorwoord schreef bij de heruitgave van Juan Luis Vives zijn hierboven aangehaald werk (Juan Luis Vives Over de hulp aan de armen. Uit het Latijn vertaald door Raf Debaene. Uitgev. Klement, Zoetermeer, 2015, 148p., p 7-10.  )- is het de eerste filosoof die beschrijft dat armoede niet langer een kerkelijke ‘caritas’ aangelegenheid is, maar ook een kwestie die de burgerlijke overheden tot hun competentie dienen te rekenen. Daarmee is hij de grondlegger van de moderne armoede bestrijding door overheden.

De maatregelen die Vives bepleitte druisten in tegen de kerkelijke armenzorg op parochieniveau.  Hij wil de armenzorg onttrekken aan de kerkelijke liefdadigheid en toevertrouwen aan de algemene verantwoordelijkheid.
Hij was namelijk voor een efficiënte aanpak van de armenzorg door de precieze omschrijving van wie steun verdiende en door het onderzoek naar de leefsituaties en leefstijl. Wie geen vaardigheden had, moest scholing krijgen. Vives tracht mensen te bewegen tot een meer georganiseerde vorm van zorg. Het geven van aalmoezen werkte volgens hem namelijk niet erg goed. Armen klagen dat ze te weinig krijgen waardoor de gever ze als ondankbaar ervaart en op zijn beurt weer minder geeft. Hij benadrukt dan ook de rol van het "geven" van wat men te veel heeft met verwijzingen naar de bijbel.
 
Lucas van der Hoeven: “Zijn fatalistische kijk even terzijde gelaten, is dit toch een enorme stap ter verbetering van hun lot – aangenomen dat dit gedachtengoed ook daadwerkelijk werd omgezet in daden door lokale overheden, maar ook door particulieren zoals Cornelius van Dun.
De connectie tussen Juan Luis Vives zijn tijd aan het hof van Engeland lijkt m.i. voor de hand te liggen. En waar zou Cornelius anders die ideeën hebben opgedaan?” 

d) Postume  periode

Naar Cornelius van Dun, wiens naam nog tijdens zijn leven verengelst werd in VANDON, werd de straat waar zijn armenhuizen stonden later de VANDON Street genoemd. De aanpalende passage kreeg de naam VANDON Passage. Hierin ligt het VANDON Court, waarvan de hoofdingang zich bevindt in Petty France, recht over de achteringang van de Wellington Barracks, het hoofdkwartier van de 5 huidige Guards-regimenten. Het VANDON House bevindt zich vooraan in de VANDON Street. Voor, tijdens en onmiddellijk na de tweede wereldoorlog was er het administratief en onderwijsgedeelte ondergebracht van de afdeling "Oosterse en Afrikaanse studies" van de London University. Daarna werd het omgebouwd tot het VANDON House Hotel en geregistreerd als een liefdadigheidsinstelling. Het behoort nu tot een reeks hotels die door The Salvation Army (Het Leger des Heils) wordt uitgebaat. Hierdoor komt het dat dit hotel in geen enkele toeristische gids wordt vermeld. In het hotel, dat 35 kamers telt, mag er niet gerookt worden, ook niet op de kamers, en is het verboden alcohol te verbruiken of mee te brengen.
VAN DON STREET   met op de achtergrond het torengebouw van New Scotland Yard
 
   
VAN DON PASSAGE                    VAN DON COURT                     VAN DON HOUSE HOTEL

De verdienstelijkheid van Cornelius en zijn belangrijkheid blijken echter nog meer uit het feit dat hij, op zijn testamentair verzoek, begraven is in St. Margaret's Church in London (een der belangrijkste parochiekerken aldaar), in dezelfde kerk waar zijn overleden echtgenote reeds begraven lag, en uit het feit dat een halfverheven beeldhouwwerk van hem zch in die kerk bevindt. Het mag een wonder heten dat dit beeldhouwwerk de beeldenstorm van 1643-1644 overleefde. Onder het revolutionair bewind van Cromwell werd er toen immers een order uitgevaardigd om alle monumenten in de kerken te vernietigen, waarbij er aan de kerkmeesters en andere functionarissen het bevel werd gegeven hierbij behulpzaam te zijn.  Noch de glasramen, noch de beelden in St. Margaret's kerk werden daarbij ontzien.  De koperen gedenkplaten van de grafstenen, alsook de orgelpijpen, werden per stuk verkocht. Ook tijdens de tweede Wereldoorlog werd er door de bombardementen op Londen veel schade toegebracht, zowel aan de kerk als aan het interieur. Zo werd een groot deel van de glasramen door de explosies vernietigd. Tenslotte is het noemenswaardig dat er in Londen een straat naar hem werd genoemd.

Originele  tekst   Testament van CORNELIUS van DUN

Hieronder publiceren we de vertaling van dit testament. Onze dank gaat hierbij naar Rombout Leo van Dun (Mechelen 1919-2004) die geruime tijd besteedde aan een zo nauwkeurig mogelijke ontcijfering en vertaling van de originele tekst. 
Daaronder vindt u een fotokopie van het originele handgeschreven testament. Gelet op het oude geschrift en de oud-Engelse tekst was het niet zo eenvoudig dit te ontcijferen. De aanhef is evenwel nog redelijk leesbaar, de daaropvolgende bladzijden zijn dit in mindere mate.  Aangezien dit testament ingeschreven werd in een officieel testamentenboek en de aanhef onderaan een bladzijde begint werd hier de bovenzijde van deze bladzijde uiteraard weggelaten. De overige bladzijden werden integraal ingescand. Het testament berust in het Archief Centrum Westminster City te Londen, referentie: 143M/TAM E69
De Engelse ontcijferde tekst is uiteraard ook in ons bezit.

 

 

 

Vertaling  Testament  CORNELIUS  van DUN

In de naam van God, Amen.
De zesentwintigste dag van augustus in het jaar des Heren 1577, Ik, Cornellys vandon, één van de yeomen van de raadkamer van Hare Majesteit de Koningin, zijnde gezond van geest en met een goed en voortreffelijk geheugen,
lof en eer zij de Almachtige God, stel op en schrijf voor dit, mijn onvervalst testament betreffende mijn hierin voorkomende uiterste wil, op de volgende wijze en in de volgende vorm, dat wil zeggen :
Vooreerst vertrouw ik mijn ziel toe aan de almachtige God, mijn schepper en verlosser, door Wie en in Wie ik hoop gered te worden, en mijn lichaam om te worden begraven in de parochiekerk van Ste Margaret in Westminster en op die plaats van de kerk waar mr Richard nu ligt, met een preek die moet opgesteld en gehouden worden op de dag van mijn begrafenis, door toedoen van mijn  testamentuitvoerder en controleurs.
Eveneens geef ik aan de arme mensen van de parochie van Ste Margaret voornoemd vijftig dozijn broden die hun moeten gegeven en onder hen verdeeld worden, op de dag van mijn begrafenis, door toedoen van mijn voornoemde testamentuitvoerder en controleurs.
Eveneens geef en vermaak ik aan mijn schoondochter Luce Awdryns, echtgenote van John Awdryns, steenhouwer, één handdoek met ruitvormig patroon, onopgesmukt, zonder zoom, één tafelkleed met ruitvormig patroon, één buffetloper, de kleinste van de twee, met zwart borduurwerk, één dozijn gewone servetten, één paar mooie lakens, één kussensloop met wit borduurwerk, één tafellaken van zakkenlinnen met zwart borduurwerk en met zwarte zoom, één schaalhoes met zwart borduurwerk en met zwarte zoom, en één met ijzer beslagen koffer. Eveneens geef ik aan Luce Hawnce , haar dochter, één buffetloper met zwart borduurwerk. Eveneens geef en vermaak ik aan mijn dochter Garthered Freeman, echtgenote van Walter Freeman, in dienst van Hare Majesteit de Koningin, één handdoek met ruitvormig patroon, met witte zoom en met blauw borduurwerk, één buffetloper met wit borduurwerk en omzoomd met een witte zoom, één groot tafelkleed met ruitvormig patroon, één paar mooie lakens, één kussensloop met wit borduurwerk en één koperen pan om daarmede de haard te bedekken.
Eveneens geef en vermaak ik aan mijn peetzoon, Peter Mackrell, wanneer hij de volle leeftijd van 24 jaar zal bereiken of op de dag van zijn huwelijk, dat eerst zo zal plaatshebben dat hij bij zijn voornoemd huwelijk met raadgevingen zal bijgestaan worden door zijn moeder, Mary Mackrell, één gewone handdoek, één gewoon tafelkleed, één paar mooie lakens, drie paar lakens van kamgaren, één schaalhoes van wit borduurwerk, twee tinnen schalen, twee schotels, twee botervlootjes, vier koperkleurige kandelaars, één beddenwarmer, een koperen hangbord, één koperen opwarmingsschotel, één ijzeren kroes, één kamerpot, twee in lakens ingenaaide veren bedden, drie peluws, drie kussens, drie dekens en één oude deken, één Ierse witte deken, één gewatteerde deken van Arras, twee gemakstoelen, één kleine koffer, één Engelse bijbel, drie groene kussens, twee andere, oranjekleurig, één oorkussen overtrokken met rood bokkenvel, vier gordijnen van groene saai, drie ijzeren gordijnroeden voor een venster, en het verhaal van Holofernes in een kleurige linnen band, één vierkante tafel met een omlijsting en mooie, bijpassende stoelen ervoor, twee kleine stoelen, één bank met een beschot, één kleine hangkast, één met ijzer beslagen koffer, twee tafellopers van Doornik en drie kussens van damast en rood laken.
Eveneens geef en vermaak ik aan Mevrouw Powell één handdoek met een ruitvormig patroon en één paar mooie lakens. Eveneens geef ik aan John Wheeler één kleine vouwtafel.
Eveneens geef en vermaak ik aan Thomas Doddes één dolk met ingegrift handvat, versierd met zilver, één ijzeren achterstuk dat nu bij de schoorsteen in zijn woonkamer staat, en één koffertje om glazen in te zetten. Eveneens geef ik aan mijn gastvrouw, Dodd, het ledikant met beschot waarin ik nu lig.
Eveneens vermaak ik aan mijn bloedverwante, Mary Mackrell van Westminster, weduwe, heel dat huis of heel die woning, bevattende twee kamers, waarin zij woont, met een tuin die daarbij hoort, en een ander stuk braakliggende grond dat daar nauw aan grenst, gelegen en zich bevindende op St. Armyns Hill in Westminster hiervoren vernoemd, welk genoemd stuk braakliggende grond nu overgedragen en voor bebouwing gelaten wordt aan een zekere Edmond Poole, bakker, gedurende een zeker aantal jaren, zoals blijkt, om het genoemde huishouden of de genoemde woning met twee kamers, tuin en stuk braakliggende grond te bezitten en te behouden voor de genoemde Mary Mackrell en haar rechtverkrijgenden gedurende de levensdagen van haar, de genoemde Mary, zonder enige huur of andere verplichte betaling ervoor, hetzij zijzelf erin woont of het laat aan enige andere persoon gedurende de voornoemde periode.
Eveneens wil ik bij testament dat al mijn kledingstukken met zekere lappen fluweel en rood laken, zoals ze afzonderlijk vermeld zijn in een vaste, door mij eigenhandig ondertekende Inventaris, onmiddellijk na mijn overlijden zullen geschat worden en verkocht met de meeste opbrengst, en dat het daarvan afkomstige geld gebruikt wordt voor het betalen van mijn begrafenis en van andere kosten die daaraan verbonden zijn. En indien er daarvan iets zal overblijven, moet dat verdeeld worden waar de meeste behoefte zulks zal vergen, naar goedvinden van mijn voornoemde testamentuitvoerder en controleurs.
Eveneens is het mijn wil dat de kerkmeesters en ontvangers voor de armen van de parochie van Ste Margaret in Westminster voorlopig en van tijd tot tijd zullen zorgen voor het ontvangen en inzamelen van en het beschikken over de huur en de opbrengsten van één huurceel van een stuk grond liggende en zich bevindende nabij Tutle Field in Westminster, onlangs voor een zeker aantal jaren, en nog steeds, zoals blijkt, overgedragen aan John .........., tuinier, en de huur en de opbrengsten die zo daaruit voortkomen en die jaarlijks door de genoemde kerkmeesters en ontvangers geïnd worden, moeten door hen voorlopig van tijd tot tijd gebruikt en besteed worden voor de noodzakelijke herstellingen aan de woningen op St Armyns Hill en aan de twee andere woningen die onlangs werden gebouwd aan de westkant van Pettifrance in Westminster, waarin nu arme mensen wonen en verblijven, naargelang de noodzaak zulks zal vereisen. En het overschot daarvan, zo er enig is, zal moeten gaan naar andere noodzakelijke aanwendingen voor de armen, terwijl dan de genoemde kerkmeesters en ontvangers voorlopig voor mijn genoemde testamentuitvoerder en controleurs, of voor hun plaatsvervangers of hun gevolmachtigden, jaarlijks een getrouwe en nauwkeurige rekening opmaken en hun bezorgen, zowel over de ontvangst van de genoemde huur als over het gebruiken en het besteden ervan of van enig gedeelte ervan.
Eveneens is het mijn wil dat, indien het gebeurt dat Peter Mackrell, mijn peetzoon, overlijdt voordat hij de volle leeftijd van 24 jaar zal bereiken of voor de dag van zijn voormeld huwelijk, dat dan al de onderscheidene hiervoor genoemde delen die voordien zo aan hem gegeven en gelegateerd zijn, helemaal toekomen aan en terugkeren naar de genoemde Mary Mackrell als haar eigen rechtmatige goederen, vrijelijk, voor altijd, zonder verzet, betwisting of belemmering van om het even welke persoon of personen. Eveneens geef en legateer ik, ten bate van de armen van de parochie van Ste Margaret in Westminster, om voor altijd doorlopend voor hen te blijven dienen, één fonds in geld voor het bedrag van 20 pond, en hetzelfde bedrag om jaarlijks te worden gebruikt, uitbetaald en besteed voor hout, op de beste manier en met het meeste voordeel ten behoeve van de armen, naar goedvinden en door de zorgen van de ontvangers en kerkmeesters van diezelfde parochie, van tijd tot tijd, en zodanig dat het hun penningsgewijze wordt aangeboden en verkocht in wintertijd en wanneer er meest behoefte is, volgens de prijs van de koop, zonder enige vermindering, met enkel de ervoor gedane kosten van vervoer en bergruimte uitgezonderd en afgetrokken. 
Ik heb steeds voorzien dat, indien het ooit hierna gebeurt dat, door de vrijgevigheid van enige andere man, dergelijke som of sommen geld worden gegeven of vermaakt voor het voornoemde gebruik en doel, waardoor de voorraad en de hoeveelheid hout voor de armen met die bedoeling voldoende kunnen geleverd en verschaft worden, zonder moeilijkheden, dat het dan mijn wil is dat de genoemde som van 20 pond jaarlijks van tijd tot tijd op een andere wijze zal besteed worden voor wol of vlas, om de armen daarmee voorlopig aan het werk te zetten naar goedvinden van de genoemde ontvangers en kerkmeesters. Eveneens bepaal, bid en smeek ik dat de deken van Westminster voor het ogenblik en in de toekomst genadiglijk zal toestaan het oor te verlenen aan, een onderzoek in te stellen naar en kennis te nemen van de behoorlijke uitvoering hiervan, zowel als aan, naar en van het uitkiezen, aanduiden en bedenken van arme mensen als huurders in de huizen op St. Armyns Hill bij overlijden of verhuizen van eender welke vroegere huurder daar, op zulke manier, in zulke mate en met zulk doel en oogmerk zoals ik dat heb bepaald en bedacht. Eveneens geef en vermaak ik aan Peter Mackrell, mijn peetzoon, wanneer mijn schulden betaald en mijn begrafeniskosten geregeld zijn, elke zulke som en alle zulke sommen geld zoals ze hierna zullen verschuldigd en betaalbaar worden aan mij, de genoemde Cornellys vandon, door eender welke persoon of personen, hetzij door schuldbekentenis of geschrift of anderszins, en namelijk het saldo van al die schuld van honderd pond, die een zekere Godfrey Maryscall Manhaunte, vreemdeling, nu aan mij verschuldigd is op grond van en krachtens zijn schriftelijke verbintenis, op datum van de vierde dag van maart in het negentiende jaar van de regering van onze vorstin, Mevrouw de Koningin Elizabeth, regina, zoals blijkt, welke genoemde schuldbekentenis of schriftelijke verbintenis nu in bewaring berust bij mijn genoemde testamentuitvoerder om de ontvangst ervan te bekomen en het bovengenoemde driemaandelijks te innen, wanneer het verschuldigd zal worden, ten bate van  de genoemde Peter Mackrell, en om aan deze te worden bezorgd wanneer hij zijn genoemde volle leeftijd van 24 jaar zal bereiken of op de dag van zijn genoemd huwelijk, welke bezorgingen eerst zullen plaatshebben wanneer de rest van alle andere delen die hierbij aan hem gegeven worden, eveneens bedoeld en bestemd is om aan hem te worden bezorgd door zijn genoemde moeder, Mary Mackrell, aan wie de bewaring ervan en de hoede erover volledig worden toevertrouwd.
Ik heb ook  bepaald en mijn wil is dat, indien het gebeurt dat de genoemde Peter Mackrell overlijdt voordat hij de genoemde leeftijd van 24 jaar zal bereikt hebben of zal getrouwd zijn, dat dan de bedoelde som of sommen geld die hem zo vermaakt werden, zullen terugkeren naar en toekomen aan Mary Mackrell, zijn moeder, indien zij dan in leven is, of anders, indien zij beiden begeven en overlijden, dan is mijn wil dat de genoemde sommen geld, aldus bekomen en ontvangen, zullen verdeeld worden en gebruikt ten bate van de armen van de voornoemde parochie van Ste Margaret, naar goedvinden van mijn genoemde testamentuitvoerder en controleurs, waar de meeste behoefte zulks zal vereisen.
Eveneens stel ik aan tot uitvoerder en beheerder van dit, mijn onvervalst testament en uiterste wil, mijn welbeminde Vriend Richard Gibbes van de stad Westminster, stadsbestuurder en een van de gewone yeomen van de raadkamer van Hare Majesteit de Koningin, aan wie ik geef en vermaak, voor de moeite die hij zich daarvoor heeft getroost, één nieuwe fluwelen schoudermantel met een gouden sierspeld, bezet met een goudklomp en 8 andere steentjes.
Eveneens benoem ik en stel ik aan tot controleurs van deze, mijn uiterste wil en testament, de Master Doctor Goodman, deken van Westminster, William Walter, de ouderling, en George Burden, gentleman, Thomas Fouler, beheerder van de werken van Hare Majesteit de Koningin, en John Powell, gentleman, aan wie ik, ter herinnering .....  ...... aan de moeite die zij zich daarvoor moeten getroosten, een goudstuk van 10 shilling geef.
En waar ik, de genoemde Cornellis, vroeger verscheidene renten, termijnbetalingen en landgoederen voor en in verscheidene huizen, woningen, hovingen en tuinen, die deel uitmaken van de bezittingen van de deken en van het kapittel van de collegiale kerk van St. Peter van Westminster, in de stad Westminster, heb geschonken aan Richard Gibbes, Thomas Fowler en Edward Taylor van dezelfde stad, door middel van verscheidene stichtingen en vertrouwelijke overeenkomsten, was en is mijn echt oogmerk en mijn echte bedoeling dat, wanneer twee van de genoemde concessionarissen zullen sterven, dat dan de overlevende derde een schenking zal doen van al zijn renten, termijnen en landgoederen voor en in de bovengenoemde bezittingen, aan zes deugdzame en degelijke gezinshoofden van de genoemde stad, die daar wonen volgens de gebruiken, overeenkomsten en vertrouwelijke richtlijnen zoals ze vermeld zijn in twee afzonderlijke Contracten die eertijds werden opgesteld door mij, de genoemde Cornellys.  En later moet aldus eveneens, van tijd tot tijd, de laatste overlevende persoon van de zes zijn gehele nalatenschap in de bovengenoemde panden aan andere dergelijke personen schenken, en aldus moet er voortgegaan worden op die manier gedurende heel de periode van het genoemde huurceel.
Eveneens is het mijn wil dat, als er na mijn overlijden enig geschil toeneemt of ontstaat betreffende het inrichten van en het beschikken over al die woningen en stukken grond die ik bij vroegere overeenkomsten aan de armen gegeven heb, of betreffende enige portie of enige porties geld die hierbij, bij mijn uiterste wil en testament, of anderszins aan hen worden vermaakt en gegeven, dat de bovengenoemde geschillen van tijd tot tijd zullen beslecht worden, voorlopig door de Deken van Westminster, en door mijn vertrouwens........   die voor dezen door mij werden aangesteld, en door wat hierna zal aangesteld worden, en door de meerderheid van hen.
En ik herroep volkomen en verklaar nietig elk en om het even welk ander vorig testament, wilsbeschikkingen, nalatenschappen, legaten, testamentuitvoerders en controleurs, die door mij op enigerlei wijze voor dezen werden opgemaakt, benoemd, gelegateerd en vermaakt, of die hierna worden opgemaakt, benoemd of vermaakt.
Tot getuigenis waarvan ik, de bovengenoemde Cornellys Vandon, op dit, mijn onvervalst testament en uiterste wil, mijn handtekening gezet en mijn zegel van yeoman aangebracht, en eerst de dag en het jaar bovenaan geschreven heb, en dit in aanwezigheid van deze personen wier namen als ondertekening voorkomen onderaan elk blad, zoals blijkt, welke genoemde bladen elf in aantal zijn. mr Cornellys, stempel, George Burden, Richard Garad, Edward Taylor, Richard Fenes, John Savage,
stempel, Henry Thackham.
Een Inventaris van alle dergelijke benodigdheden en van verscheidene delen, zoals ik, Cornellys vandon, ze gegeven en vermaakt heb bij deze, mijn uiterste wil en testament, eigenhandig door mij ondertekend en hierbij gevoegd,  ..........
Vooreerst één handdoek met ruitvormig patroon, gewoon, niet omzoomd. Eveneens één tafellaken met ruitvormig patroon. Eveneens één buffetloper met zwart borduurwerk, de kleinste van de twee.
Eveneens één andere buffetloper met zwart borduurwerk. Eveneens één dozijn gewone servetten.
Eveneens één paar mooie lakens. Eveneens één kussensloop met wit borduurwerk.
Eveneens één mansgewaad met zwart borduurwerk en zwart omzoomd. Eveneens één schaalhoes met zwart borduurwerk en zwart omzoomd. Eveneens één met ijzer beslagen koffer. Eveneens één handdoek met ruitvormig patroon, wit omzoomd en met blauw borduurwerk. Eveneens één buffetloper met wit borduurwerk en wit omzoomd. Eveneens één groot tafellaken met ruitvormig patroon.
Eveneens één paar mooie beddelakens. Eveneens één kussensloop met wit borduurwerk.
Eveneens één koperen pan om daarmee de haard te bedekken. Eveneens één gewone handdoek.
Eveneens één gewoon tafellaken. Eveneens één paar mooie beddelakens. Eveneens één schaalhoes van wit borduurwerk. Eveneens twee tinnen schalen.  Eveneens twee schotels. Eveneens twee botervlootjes.
Eveneens vier koperen kandelaars. Eveneens een beddenpan. Eveneens een koperen muurplaquette.
Eveneens één koperen komfoor. Eveneens één ijzeren kroes. Eveneens een nachtpot. Eveneens twee in lakens ingenaaide verenbedden. Eveneens drie peluwen. Eveneens drie oorkussens. Eveneens drie dekens.
Eveneens één oude deken. Eveneens één Ierse witte deken. Eveneens één bedsprei van Arras. Eveneens twee gemakstoelen. Eveneens één kleine koffer. Eveneens één Engelse bijbel. Eveneens drie groene kussens. Eveneens twee andere, oranjekleurige kussens. Eveneens één met rood stijf linnen overtrokken oorkussen. Eveneens vier gordijnen van groene saai. Eveneens drie ijzeren venstergordijnroeden.
Eveneens het verhaal van Holofernes in een kleurige linnen band. Eveneens één vierkante tafel met een omlijsting en vijf bijpassende stoelen ervoor. Eveneens twee kleine stoelen. Eveneens een lange bank met een beschot. Eveneens een kleine hangkast. Eveneens één met ijzer beslagen koffer. Eveneens twee tafellopers van Doornik. Eveneens drie kussens van damast en rode stof. Eveneens een kleine vouwtafel.
Eveneens één handdoek met ruitvormig patroon, wit omzoomd. Eveneens één paar mooie beddenlakens. veneens één ledikant met een beschot. Eveneens een dolk met een ingegrift heft en versierd met zilver.  Eveneens één ijzeren achterstuk voor een schoorsteen. Eveneens één koffertje om glazen in te leggen. Wollegoed.  Eveneens twee toga's, de ene omzoomd en afgezet met fluweel, de andere met een onderscheidingsteken en afgezet met fluweel. Eveneens één andere zwarte toga van laken, omzoomd, met een onderscheidingsteken. Eveneens één mooie mantel van zwart laken, met mouwen, afgezet met fluweel. Eveneens één mooi jasje, afgezet met fluweel, passend bij de genoemde mantel, met zilveren gespen en vergulde snoerhanger. Eveneens één andere, schapenkleurige mantel, met enige gespen en snoerhanger. Eveneens één jasje van zwart fluweel, met mouwen. Eveneens twee oude nauwsluitende mannentoga's, de ene van satijn, de andere van kamgaren. Eveneens één ander oud fluwelen wambuis van purperkleurig fluweel, afgezet met kant. Eveneens één zomertoga, omzoomd met gemsleder en afgezet met kant.
Eveneens één satijnen keurslijf. Eveneens één grofgreinen anklet, gevoerd met wit katoen, en één andere, gevoerd met ...........   Eveneens één paar kousen van zwart fluweel, die worden opgehouden met kousophouders.  Eveneens één paar ...........  kousen van  ............   .............   Eveneens één oud fluwelen wambuis.  Eveneens één paar fluwelen overkousen met een broek van laken. Eveneens één paar taankleurige fluwelen mouwen. Eveneens één feestelijke hoed met een paarlemoeren sierspeld, met de in de genoemde sierspeld gegraveerde afbeelding van Hercules. Eveneens één fluwelen kap met een gouden sierspeld, bezet met een goudklomp en met acht andere steentjes.
Stempel van Cornellys vandon.   Getuigen : Richard Gibbes en Henry Tackham.
De zesde dag van september in het jaar 1577, in aanwezigheid van Magistraat Henry Jones, Doctor in de Rechten, Plaatsvervanger van de eerbiedwaardige heer John Lloyd, Ambtenaar ......., is op deze manier de getuigenis erkend dat Cornelys Vandon, magistraat in de Stad Westminster, yeoman, overleden is,
bij eed van Richard Gibbes, de enige testamentuitvoerder; bij de getuigenis hiervan ............   ............       

 

FOTOCOPIE ORIGINEEL TESTAMENT van Cornelius van DUNNE

 
p.1
 
 p.2  p.3  p.4  p.5  p.6  p.7  p.8

 

CORNELIUS van DUN opgevoerd in REËNACTEMENTS van een Amerikaanse toneelgroep.

Cornelius van Dunne  wordt ook ten tonele gebracht door twee interactieve theatergroepen in de Amerikaanse staat Californië. Ogenschijnlijk zijn wij inderdaad niet de enigen die geïnteresseerd zijn in onze illustere naamgenoot. Vermoedelijk sinds het ontstaan van de groep in 1974, maar zeker sinds het jaar 2000 fungeert zijn naam en functie tussen de historische personages die door The Guild of St.George letterlijk ten tonele worden gevoerd tijdens zijn jaarlijkse “Renaissance Fairs”.
Deze Guild of St.George is erkend als een rechtspersoon van  Openbaar Publiek Opvoedkundig Belang en zonder winstoogmerk, en bestaat nu uit 2 afdelingen: één in Zuid Californië en één in de San Francisco Baai Regio. Zij tellen elk 25 tot 50 leden, maar het aantal deelnemende acteurs kan naargelang de omstandigheden aangroeien tot wel meer dan 100 personen. Alle personages zijn historisch, in die zin dat niet alleen hun kledij en de uitrusting, maar ook hun optreden zou berusten op historisch vaststaande gegevens.
Naast “Cornelius” fungeerden er zo in de loop der jaren nog een 20-tal Yeoman of the Guard, waarvan we in de marge zeker bij een drietal een beknopte levensloop konden terugvinden gebaseerd op bestaande personen uit die tijd.Het uniform van de Yeoman of the Guard had uiteraard verschillende uitvoeringen, naargelang de omstandigheden waarin zij moesten optreden.De kledij waarmee Cornelius op zijn grafschrift werd afgebeeld wijkt licht af van de afgebeelde, maar was de meest ceremoniële.

In 2000 kreeg de The Guilde of St.George* zijn huidig statuut, waarin zijn nieuw doel werd omschreven: aanleren van geschiedenis bij middel van interactief theater. Hij had toen reeds tientallen jaren ervaring met het ten tonele brengen op de Renaissance Kermismarkten van adellijke figuren uit het Elisabethaanse Engeland. Mettertijd groeide hij uit tot de enige Elisabethaanse reënactement organisatie. Alzo is de Gilde nu gespecialiseerd in het voorstellen van personen en gebeurtenissen uit de tijd van Elisabeth I (1533 tot 1603) die regeerde vanaf 1558 tot aan haar dood.
Deze gebeurtenissen slaan alle terug op de talrijke zomerrondreizen (Summer Progresses) van Elisabeth I. Haar jaarlijks weerkerende koninklijke uitstappen vormen een onuitputtelijke bron voor de aangehaalde reënactementopvoeringen waardoor men nu een inzicht kan krijgen owel in het leven van de bevolking als in de Koninklijke Hofhouding in het Engeland van de tweede helft van de 16de eeuw. Zo werd tijdens de Renaissance Fair, die nu elk jaar gedurende 9 weekends plaatsvindt, in het seizoen 2010  het verhaal gebracht van de pracht en de praal van het bezoek van koningin Elisabeth I en haar hofhouding aan de stad Bristol in 1574. De hiernavolgende gegevens zijn een beknopte samenvatting van wat we over deze Summer Progresses in het algemeen terugvonden in de historische publicaties (zie bibliografie). Zij geven ons een idee van de omstandigheden waarin Cornelius van Dunne aan het Engels Hof werkte.
Tijdens de winter verhuisde Elisabeth I, zoals trouwens haar vader Hendrik VIII voor haar deed, geregeld van het ene kasteel naar het andere, maar tijdens de zomer maakte ze elk jaar rondreizen doorheen het land. Deze Summer Progresses, waarbij de koningin gans haar koninklijke hofhouding op sleeptouw nam, duurden van enkele weken tot zelfs enkele maanden en waren bedoeld  om contact te houden met de bevolking. De “bagagetrein” die tussen de 300 en de 500 karren besloeg, vervoerde niet alleen persoonlijke kledij, maar ook meubilair, tapijten, draperieën, exquis voedsel en alle noodzakelijk geacht materiaal voor het verder bestuur van het land. De plaatsen die koningin Elisabeth alzo met haar hofhouding aandeed (een dorp, een universiteit, een landgoed van een of andere lord, enz.) waren zeer uiteenlopend,  en regelmatig gebeurde het dat ze de grote toeloop niet aankonden, zodat er inderhaast nieuwe houten gebouwen dienden opgetrokken. Heel wat van de verblijfskosten werden daarbij op de gastheer afgewenteld, zodat het niet uitzonderlijk was dat diegene die met het koninklijk bezoek werd “vereerd” achteraf met grote schulden achterbleef. Het spreekt vanzelf dat hierover heel wat publicaties bestaan, officieuze en officiële, die stof genoeg opleveren voor historisch onderbouwde theateruitvoeringen.
We vermeldden reeds dat onze stamgenoot Cornelius tijdens deze Renaissance Fairs jaarlijks ten tonele wordt opgevoerd. Aanvankelijk fungeerde de figuur van Cornelius van Dunne als enige Yeoman of the Guard, later, vanaf het jaar 2000, werden naast hem nog een aantal anderen opgevoerd. Vanaf 2006 werd hij echter getypeerd als hun onmiddellijke gezagvoerder en had hij, naargelang de inhoud van de specifieke reënactement, de leiding over 3 tot 7 yeomen. Alzo werd hem in 2006 de titel van Sergeant toebedeeld en vanaf 2007 die van Sergeant Major. Al laat dit toe om hem een meer verantwoordelijke positie te geven in de toneeluitvoeringen, dan hebben we hierbij wel vraagtekens in verband met de historische correctheid. Immers tot nu toe hebben wij nergens enige aanwijzing in die richting gevonden.
In de hoop dat deze vereniging ons misschien meer informatie hierover kon verstrekken hebben wij haar in 2012 aangeschreven. Tot nu toe ontvingen we echter geen enkele reactie.

 

NOTEN:

Noot (1) Echtscheiding was in de 16de eeuw niet zo vanzelfsprekend, en niet gangbaar zoals vandaag, maar zij was zeker niet onmogelijk of onbestaand. Wel verstond men onder die term niet de huidige gangbare betekenis maar de ‘vernietiging of ongeldigverklaring  van huwelijk’. Hiervoor kunnen verschillende redenen aanleiding geven -wanneer één der partijen een zgn. voorhuwelijkscontract had met een andere;  -wanneer er een bloedverwantschap of spirituele verwantschap bestond (b.v. peterschap), bij impotentie; -bij gebruik van geweld of intimidatie door een der partijen voor toestemming van de andere;-bij huwelijk met een minderjarige; -bij een clandestien huwelijk; -bij een huwelijk afgesloten onder valse voorwendselen. 
De hoge kostprijs, maar ook de bewijsmoeilijkheid, bij dergelijke nietigverklaringen, verklaren dat zij niet courant voorkwamen en dat de gedocumenteerde gevallen zich voornamelijk afspeelden bij de adel. De eenvoudigste manier om onderuit een huwelijk te geraken was te ontdekken dat man en vrouw neef en nicht van elkaar waren. In de negende eeuw ging dit tot 7 generaties terug).
De reden waarom Hendrik VIII niet gescheiden geraakte van Catharina van Aragon was dat zijn aangevoerde grond voor nietigverklaring van zijn huwelijk, namelijk dat hij incest had gepleegd door te huwen met de weduwe van zijn broer, door de paus niet aanvaard werd.
Een zeer goed voorbeeld uit de tijd van Hendrik VIII is de echtscheiding van Anne Calthorpe (1505-1582), countess of Sussex, sinds 1543 hofdame van koningin Catherine Parr.(4)  Tussen 1547 en 1549 werd zij door haar echtgenoot, Henry Radcliffe, second earl of Sussex, verstoten op beschuldiging van overspel met Sir Edmond Knyvett (maar vermoedelijk op basis van religieuze tegenstellingen en omdat zij haar 'echtelijke plichten' niet zou nakomen. 
De herhaalde pogingen van Henry Radcliff bij het 'House of Comons of England' om zijn kinderen tot bastaards te laten verklaren mislukten telkens en op 13 november 1555 werd de scheiding uitgesproken. Na de dood van haar echtgenoot in februari 1557 huwde in 1559 huwde zij in met Andrew Wyse, een voormalig Koninklijk Officier in Ierland
 
(1) blog.nationalarchives.gov.uk//till-death-us-part-medieval-england           
(2) cdalebrittain.blogspot.com/2014/07/medieval-divorce.html.Dale Briittain, 9 juli 2014
(3) cdalebrittain.blogspot.com/2014/07/royal-divorce-in-middle-ages.html,C.Dale Brittain, 10 juli 2014
(4) Catharina Parr, Henry VIII's Last Love, Susan James, The History Press, Gloucestershire, 2008, 2009 p.128, 321.
 

Noot (2)  cf: “The Yeomen of the Guard, Their History from 1485-1885”. By Thomas Preston edited by Yeoman William D Norton (Typed by Mrs L Norton), onder ‘HENRY VIII (1509 – 1547) 1544 –“The Yeomen were present at the siege of Boulogne, and this appears to have been the last occasion on which they acted with the army”.

Noot (3) a     Elisabeth's Household. A Bachelor Thesis in History by Sara Betty. Mills College, 1994:  “The Yeomen of the Guard were a ceremonial bodyguard for the queen, but, like her household, they were used for state purposes. Despite being, technically, a personal bodyguard, they were as much a part of the government as her privy council. They were often dispatched on diplomatic missions as couriers and members of the Guard were assigned to the Lord Lieutenant of Ireland to lend him prestige.
Noot (3) b      The Yeomen of the Guard and the Early Tudors. The Formation of a Royal Bodyguard. Anita Hewerdine, 2012 I.B.Tauris & Co Ltd, London, -p.49: “When sent out of court on the king’s business the yeomen were charged with a variety of tasks, the most common of which were transporting the king’s correspondance or apprehending and gardning prisoners. - p. 67,68: "The guards role was sometimes extended beyond the royal family and out of the court, notably for diploamtic occasionsDe tekst vermeldt dan 8 zulke voorbeelden.

Noot (4) Tot op heden konden we niet achterhalen waarop dit aan Cornelius toegeschreven  wapenschild werkelijk zou teruggaanWaarschijnlijk voerde Cornelius dit wapenschild reeds toen hij toetrad tot het Brabantse huurlingenleger van Hendrik VIII, dat in 1513, in opdracht van de Engelse koning en samen met hem, Frankrijk binnenviel.  De rode leeuw verwijst zeker niet naar het hertogdom Brabant: het wapen hiervan is van oudsher een zwarte leeuw op een gouden (geel) veld. Anderzijds toont een 13de eeuwse afbeelding van het vaandel van hertog Jan I van Brabant (1268-1294), naast twee gele leeuwen op zwart veld, ook twee rode leeuwen op zilveren (wit) veld. Ook bij de vaandels/wapenschilden van hertog Jan II, hertog Jan III en Johanna van Brabant (1355-1406) vinden we deze rode leeuw terug. Tenslotte fungeert hij, naast de zwarte en de gouden leeuw en de Franse lelie, op het blazoen van Bourgondië van 1475.
      Gelet op het grote tijdsverschil lijkt het me niet aangewezen hiermee een verband te maken. We moeten dus voorlopig het antwoord schuldig blijven. Zelfs indien de Engelse schrijver hier een verkeerde interpretatie geeft doet dit niets af aan het feit dat deze armenhuizen de naam “Red Almshouses” kunnen gehad hebben. Zonder tegenindicatie is het niet aan ons om de geschiedenis te herschrijven.

Noot (5) The Yeomen of the Guard and The Early Tudors. The Formation of a Royal Bodugard. Anita Hewerdine, 2012 I.B.Tauris & Co Ltd London, p.134,135:                                    

Memorials to individual yeomen :

Seven yeomen ware commemorated  by a memorial in their local church, usually a brass. {=koperen plaat}
1. Kent, a brass to Robert Hilton, who died in 1523, records that he was ‘late yeoman of the Guard with the high and mighty prince of most famous memory Henry the VIII’
2. Thomas Lynde was depicted at St. neot’s church, Hubtinghonshire, in 1527 wearing the apparel of a yeoman of the Guard, ‘with his pole axe, a rose on his breast and a crown on his left breast or shoulder’, together with his wives Alice and Joan
3. Thomas Noke was commemorated in the church of St. John Baptist, Shottesbrook Berkshir , with his three wives. He is shown in a long gown lined with fur, and bears a crown badge on the left shoulder. The inscription shows that he died on 21 August 1567, in his 87th year, and includes the information that ‘for his great age and virtuous life he was reverenced of all men and commonly called Father Noke’, an he was ‘of stature high and comely and for his excellency in artillery made yeoman of the crown’ Below his memorial anoher plate shows an epitaph in Latin on the dead of Thomas Noke by the Lady Elisabeth Hoby, translated thus by Ashmole: "Thou good old man and venerably Sage. - Who antient Probity, and hoary Age; - Thee justly still a Father and a Friend, - Steady to love, and Faithfull to defend: - Accept my last Adieu; Like him may I, Great Heav’n, thus ious live and and peaceful die."
4. Brasses are also recorded in Lee church, Kent, to Henry Birde, who died in 1545,
5. to Thomas Birke and his wife Anne at Ewelme, Oxfordshire, dating from 1518,
6. and to Thomas Greenway and his wife Elisabeth, in the church of St Peter and St Paul, Dinton, Buckinghamshire. Although Greenway died in 1538, and his wife the following year, the memorial was not erected until.
7.   1551, upon the death of their son Richard, a gentleman usher of the Chamber, who is commemorated on a separeted brass.
8. In the Chapel of St George at Windsor, on the wall near the south door, a brass plate commemorated George Brooks, who served in the Guard from Henry’s reign to Elisabeth I’s. He died in 1593 and an epitaph records that: He lived content with mean Estate, And long ago prepared to die, The Idle Person he dir hate, PoorPeopl’s  -Wanys he did supply.

9. The most impresionned memorial to a yeoman of the Guard of Henry VIII’s time is probably the effigy of Cornelius van Dun in St. Margaret’s church. Westminster …


 Although the yeoman who feature in country pedigrees an memorials may be a small proportion of the hundreds whose names are known, they do provide evidence that a notable number were from families who were fairly wealthy and/or land-owners.”

 

BIBLIOGRAFIE

-Henry VIII, Francis Hackett, uitgev. J. Cape, London, 1929.
-The Reign of Henry VIII, Personalities and Politics, David Starkey, uitgev. Collins & Brown Ltd, London, 1985.
-What's left of Henry VIII, Deborah Jaffé, uitgev. Dial House, 1995.
-Encyclopedia of Britain, Bamber Gascoigne, p. 676, 677, 713, uitgev. Macmillan, 1993.
-The New Encyclopaedia Britannica.
-Dictionnaire encyclopédique d’Histoire, p. 4961, uitgev. Bordas, Paris, 1986.
-The London Encyclopaedia, Ben Weinreb & Christopher Hibbert, p. 776, uitgev. St. Martin’s Press, New York.
-The Streets of London, Sheila Fairfield, p. 326, uitgev. Papermac, London, 1983.
-The Oxford English Dictionary, Volume XIX, p. 357-359 ; 2d Edition, Clarendom Press, Oxford, 1989.
-Beschavingsgeschiedenis van de Moderne Tijden, Prof. Dr. E. Lousse, uitgev. N.V. De Vlaamse Drukkerij, Leuven, 1948.
-Geschiedenis van Engeland - van Stonehenge tot het tijdperk der vakbonden, Prof. Dr. R.C. Van Caeneghem, p. 146-179, uitgev. Martinus Nijhoff, ‘s Gravenhage.
-A Glossary of Terms Used in Heraldry, p. 500-503, uitgev. James Parker & Cy, Oxford and London 1894, republished by Gale Research Cy, 1966.
-Dictionnaire de Renesse, Lexique Héraldique Illustré, Jan van Helmont, p.13, uitg. Jan Van Helmont, Leuven, 1994.
-J.B. Rietstap-Handboek der Wapenkunde, C. Pama, p. 274-276, 3de uitgaaf, uitgev. E.J. Bril, Leiden, 1943.
-St. Margaret’s Westminster, The Commons’Church within a Royal Peculiar, uitgev. Aidan Ellis Publishing, Nuffield Henley on Thames, 1993, p. 14, 15, 53.
-The Life and Times of Elisabeth I, Neville Williams, uitgev. George Weidenfeld and Nicholson Ltd and Book Club Associates 1972, Vert. Elisabeth I, uitgev. Unieboek B.V. Bussum, 1973, p. 41.
-Archief van Westminster Abbey, beschrijving notaris R. Gribbes op 6/9/1577, ref. 143M/TAM E69.
-Archief van Westminster City, ref. 143 M/TAM E 69.
-Westminster Hospital, An outline of its History, W.G. Spencer, p.18, uitgev. Henry J. Glaisher, London, 1924.
-Westminster and Pimlico Past, Isobel Watson, p. 29, 62 en 63, uitgev. Historical Publications Ltd, London, 1993.
-The Almshouses of London, uitgev.Ashford Press Publishing, p. 32, Hampshire, 1987.
-Endowed Charities (County of London), Ordered by The House of Commons to be Printed, p.229,230,231 341, 406, London.
-The Beefeaters of the Tower of London, G. Abbott, Yeoman Warder (retd), p 10-12, uitgev.Hendon, Publishing Co Ltd., Hendon Mill, Nelson, Lancashire, 1985.
-The Clothing and Army of the Yeomen of the Guard, 1925, p. 122.
-The Yeomen of the Guard, T. Preston, London 1889, p.70-71.
-The Writers Guide to Everyday Life in Renaissance England from 1485 - 1649, Kathy Lynn Emerson, p. 39, 107, 149, 227, uitgev. Writer's Digest Books, Cincinnati, Ohio, 1996.
-The Island Race, Winston S. Churchill, p. 124, 130-131, uitgev. Cassell & Co. Ltd, London, 1964.
-English Court Life, From Henry VII to George II, Ralph Dutton, p. 38, uitgev. B.T. Batsford Ltd, London, 1963.
-The English Occupation of Tournai 1513-1519, C.G.Cruikshank, p. 11, 21, 88, 90, 91, 100, uitgev. Clarendon Press, Oxford, 1971.
-Histoire de Tournai, Paul Rolland, p. 175, uitgev. Casterman, Tournai-Paris, 1956.
-Les Infants d'Tournai, nr. 225 - p. 4, nr. 226 - p. 1, nr. 228 - p. 1, nr. 230 - p. 1, 1973.
-Revue Belge de Numismatique et de Sigillographie, Tome 88, p. 72-73 en Pl. IV, Bruxelles, 1952.
-Tournai. Une Ville , Un Fleuve, (XVIe - XVIIe siècle), Crédit Communal.
-Hainaut ou l’épopée d’un peuple,1.Des origines à Charles Quint,Collection Tourisme et culture-Hainaut,Mons, 1971.
-Acts of the Privy Council of England.  Rijksarchief Den Haag.
- nl.geneanet.org/voornaam/Gilberte: Betekenis van voornamen, hun populariteit gedurende de eeuwen en een kaart van de geografische verspreiding.
-The Letters and Papers, Foreign and Domestic, of the Reign of Henry VIII.  Rijksarchief Den Haag.
-The Letters and Papers, Foreign and Domestic, Henry VIII, Vol.23, records 360-373, may 1546
-The Last Days of Hendry VIII. Conspiraces, Treason and Herery at the Court of the dying Tyran.Robert Hutchinson/ Weidenfeld & Nicholson, Ltd London. Vertaald als “De Laatste Dagen van Hendrik VIII. Samenzwering, Verraad en ketterij aan het hof van de stervende Tiran” door Hans Keizer/ Houtekiet, Antwerpen 2006, p 116, 121, 122, 158.
-The yeomen of the Guards and the Early Tudors, The Formation of a Royal Bodyguard, Anita Hewerdine, IB Tauris & Co Ltd, Londen,  New York, 2012
- Elisabeth's Household. A Bachelor Thesis in History by Sara Betty. Mills College, 1994.
- The Baldwin Project: In the Days of Queen Elisabeth, by Eva March Tappan.
http://www.cbsm.nl/upload/artikelen/cornelius_van_dun_ne_1483_1577.pdf
- Juan Luis Vives Over de hulp aan de armen. Uit het Latijn vertaald door Raf Debaene. Uitgev. Klement, Zoetermeer, 2015, 148p., p 7-10.
 
  

Thema

Regio