UITEINDELIJKE BEVESTIGING van de betekenis van onze naam

Zoals elke naamgenoot reeds meermalen zal ondervonden hebben, zorgt onze op het eerste gezicht eenvoudige naam geregeld voor heel wat verwarring. Wanneer we ons met onze naam "Van Dun" voorstellen gebeurt het regelmatig dat hij ofwel niet verstaan wordt, ofwel verkeerd begrepen. Dit is niet alleen nu het geval, maar is dat in het verleden waarschijnlijk nog veel meer geweest.
In weerwil daarvan is onze naam, wonderlijk genoeg, reeds meer dan 670 jaar ongewijzigd gebleven en zijn wij op dit ogenblik met naar schatting een 2.500 naamgenoten in ons taalgebied(1). Gerekend vanaf de tweede helft van de 13de eeuw, bevat het genealogisch bestand waarover Ton van Dun uit Ulvenhout eind 2015, na 48 jaar onderzoek, beschikt, inmiddels 5.687 personen met de naam van Dun of van Dunne(é)(2).Toch rijzen er heel wat problemen wanneer we verder naar het verleden willen gaan en de oorsprong én de betekenis van onze naam willen achterhalen. Reeds in mijn “Het eerste Dunboek”, dat in 2001 uitkwam en toen onder de leden van de vereniging Afstammelingen van Dun werd verspreid weidde ik uit over mijn bevindingen hieromtrent(3).
 

van Dun(ne) (-né) uit Noord Brabant, een volledig losstaande naam.


Ten einde elke verwarring te vermijden is het belangrijk er op te wijzen dat er vroeger in Europa en specifiek in de regio van het huidige Frankrijk en Duitsland nog andere van DUN geslachten bestonden, los van het Brabantse.
Bij ontstentenis van mannelijke afstammelingen is bij hen de naam van DUN echter niet verder gegaan. Voor meer informatie hierover verwijzen we respectievelijk naar de hoofdstukken “De familie van ASPREMONT en van DUN-niet verwant” en “Taalverwantschap in de namen van de GRAVEN von Dun – von D(h)aun”.
Anderzijds is het duidelijk, sinds het verschijnen van de hierboven vermelde stamboomboeken van Ton van Dun, die alle tot hiertoe sinds 1340 achterhaalde van Dun-geslachten bevatten, dat deze familienaam NIET aan ook maar enige DUIN-naam kan gelieerd worden.

Welke betekenis heeft onze familienaam ?

Ten einde op een correcte wijze hierop te kunnen antwoorden mogen we hier niet kritiekloos zomaar een theorie poneren die ons op het eerste gezicht de juiste of de meest logische lijkt. Al zou dit het eenvoudigste zijn, toch is dit niet alleen allesbehalve wetenschappelijk maar brengt dit het risico met zich mee dat we de bal volledig misslaan.
Anderzijds zien we dat bij de klassieke naslagwerken met betrekking tot Nederlandse familienamen de informatie over onze naam nogal stiefmoederlijk wordt behandeld of zelfs volledig onbestaand is. Meestal maakt men zich ervan af met de nogal oppervlakkige vermelding dat “dun” afkomstig is van “duin” en dus dezelfde betekenis heeft. 
Niets is minder waar. Zoals hierna zal blijken stamt het Nederlandse woord 'duin' af van het Keltische 'dun' en niet omgekeerd.
Toch werd ie verkeerde uitleg tot voor kort in taalkundige werken aangehouden en ziet men die nog systematisch opduiken in vilgariserend werken.         
Dit is op zich niet verwonderlijk: wanneer men een naslagwerk samenstelt over enkele tienduizenden (!) namen, zou het ondoenlijk zijn aan elk twijfelachtig woord enkele weken, zo niet maanden studie te besteden; het werk zou aldus nooit tijdens een mensenleven kunnen uitgegeven worden.  Hierbij komt dat tot onze naam voor kort uiterst zelden werd gehoord, terwijl onze naamdragers nog altijd voor het overgrote deel gesitueerd zijn in een beperkte regio (in België rond Turnhout en Hoogstraten, in Nederland rond Breda-Tilburg-Eindhoven). Al gaat het hierbij nu toch reeds over meer dan tweeduizend gezinnen!
Elke taalspecialist gaat uiteraard uit van de scholing die hij heeft gekregen en van de premissen die hij(zij) zich tijdens deze scholing heeft eigen gemaakt.  De opleiding in Germaanse filologie die al onze taalspecialisten tot voor kort volgden was daarbij natuurlijk van doorslaggevende aard bij hun benadering.
Toen in 2003 de “Grondig herziene en vermeerderde uitgave” verscheen van het “Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk” van Dr. De Brabandere(4), dat ongeveer 150.000 familienamen zou bevatten, vond ik hierin op blz. 414 slechts de volgende vermelding: “Dun,van, zie van Duin(en)”
verder staat (-zoals hierna zal blijken verkeerdelijk-) vermeld op blz.412:  “Duin, Duyn, Duijn 1. Patr.Germ,VN Duno (Morlet 1). Vgl.Duininck, 1303 Weitin Duuns wedewe, Klemskerke (VERKEST).- 2. Kortere vorm voor Van Duin(5) alsook: Duin(en); van Duyn(en), van Dijnen, van Dun, van Deun: PlN Duin of De Duinen in Koksijde, 1292 Jan vanden Duen, Vn.; 1474 Joos van den Dunen, Bg (DF III): 1387 Gherard de le Duine, Ip. (BEELE”) 
Hieruit leidde ik af dat de eminente samensteller van dit omvangrijk werk blijkbaar het bestaan van onze familiestam niet kende. Toen ik Dr. F. De Brabandere, kort na het verschijnen van zijn boek, hierover schriftelijk contacteerde, liet hij me inderdaad weten dat hij hier niet van op de hoogte was, en drukte hij zijn spijt erover uit dat ik hem niet had geïnformeerd voor zijn boek werd gepubliceerd. Tijdens hetzelfde schrijven legde ik hem mijn standpunt over de mogelijke betekenis van onze familienaam uit, zoals dit verscheen in mijn “Het eerste Dunboek”. Spijtig genoeg kreeg ik hierop geen geargumenteerde repliek, maar uitsluitend de verwijzing naar zijn gepubliceerde tekst. Sindsdien werden wel enkele van mijn indertijd doorgestuurde genealogische gegevens opgenomen in het Familienaam-bestand op zijn website(6).
De weerstand van onze taalfilologen tegen een verklaring als zou Duin afkomstig zijn van Dun is, zoals ik reeds opmerkte, mijns inziens overwegend te verklaren doordat in de richting Germaanse filologie weinig of geen aandacht werd geschonken aan de invloeden van de Keltische taal, waardoor men er o.m. systematisch van uitgaat dat het woord dun afkomstig moet zijn van duin en zeker niet omgekeerd. Hierbij beroept men zich steeds op het feit dat in onze streken geen Kelten (Galliërs) zouden gewoond hebben. Zelfs indien dit zo was vergeet men dan wel dat dit géén noodzakelijke voorwaarde is voor taalbeïnvloeding!
In  het Leenwoordenboek van Nicoline van der Sijs, uitgegeven in 1996, kunnen we lezen(7):
“Het Keltisch of de moderne Keltische talen hebben geen woorden uit andere talen doorgegeven”. Het Latijn in Gallië heeft vele Gallische woorden opgenomen, en een aantal hiervan doorgegeven aan de Germaanse talen. Sommige Gallische woorden hebben de weg Gallisch > Latijn > Frans > Nederlands gevolgd, dus zijn ze eerst via het Latijn in het Frans beland, en vervolgens door ons uit het Frans geleend. (in de tekstvoetnoot: Lambert, Pierre-Yves (1994), La langue gauloise, Parijs, p.185-205.). Met de moderne Keltische talen heeft het Nederlands geen rechtsreeks contact gehad. Bretonse woorden zijn via het Frans geleend. Het Engels heeft een aantal Welshe, Ierse en Gallische woorden doorgegeven. Welke Keltische woorden we via het Latijn, Frans of Engels hebben geleend, is onder deze talen te vinden.” (in tekstvoetnoot:Bach, Alfons(1961),Geschichte der deutschen Sprache,Heidelberg, p.94.)
Daaraan voorafgaand en voor ons nog belangrijker is m.i. de hiernavolgende tekst in dit boek van dezelfde auteur, onder de rubriek “De Keltische leenwoorden”(8):
De Keltische leenwoorden betreffen twee terreinen: bodemkundige en staatkundige. Bodemkundige woorden zijn duin, lei(steen) en ijzer. Staatkundige woorden zijn rijk en gijzelaar. Het woord rijk vinden we ook in Keltische eigennamen als Ambiorix, Dumnorix, Vercingetorix, bekend geworden door de strip Asterix. Het laatste lid rix betekent ‘heerser’, en een pendant hiervan vinden we in Germaanse namen als Fredrik, Hendrik. De betekenis ‘vermogend’ is via ‘van een heerser, koninklijk’ gegaan naar ‘machtig’ en dan, omdat de macht van een heerser berustte op zijn bezittingen, naar ‘vermogend’. Van ambacht is al in het Middelnederlands de verkorting ambt afgeleid.
Ambacht was ook in het Latijn bekend: de Romeinse schrijver Festus (begin 3de eeuw na Chr.) zegt: “ambactus apud Ennium lingia gallica servus appellatur” ‘bij Ennius wordt de slaaf in het Gallisch “ambactus” genoemd’ In het Middelnederlands betekende ambacht nog ‘dienaar’ naast ‘bediening, beroep’. In de 17de eeuw ontstond de scheiding tussen ambacht voor het lagere handwerk en ambt voor hogere functies – een scheiding die tot op heden bestaat.
Van een aantal woorden die zowel in het Germaans als het Keltisch voorkomen, zoals bok, broek en lood (en de boven genoemde eed, erf ‘erfgenaam’ en gijzelaar) kunnen we niet meer met zekerheid uitmaken wat de oorsprong is geweest. Het kunnen Germaanse leenwoorden in het Keltisch zijn, Keltische leenwoorden in het Germaans of gemeenschappelijke ontwikkelingen. Ook van de betekenis van vrij is de oorsprong niet meer uit te maken; het woordbetekent alleen in het Keltisch en het Germaans ‘niet onderworpen’ (als tegengestelde van horig); in andere Indo-Europese talen betekent het ‘eigen’. In Keltisch en germaans is de betekenis verschoven via ‘behorend tot de eigen sibbe’, tot vrij.   … De Ierse missionarissen hebben verder eigennamen als Gallus (in gelatiniseerde vorm) en Kilian/Kiliaan naar het vasteland gebracht. (in de tekstvoetnoot: Bach, Alfons (1961),Geschichte der deutschen Sprache, Heidelberg, p.94.)
Tenslotte(9bis): “Engelse kolonisten die zich rond 1000 op de Vlaamse kust vestigden, hebben vermoedelijk ongeveer 20 Engelse woorden bekend gemaakt, waarvan een deel zich vanuit Vlaanderen en Zeeland over het Nederlandse gebied verspreid heeft, namelijk:brijn, ‘pekel’, kreek en sulk ‘slak’ (een exportartikel). Volgens Heeroma hebben zij ook duin naar de Nederlanden gebracht: Engels dune (uit het Keltisch ontleend). Maar dat kan niet, want duin is al vóór 1000 in het Nederlands overgeleverd en dus rechtstreeks uit het Keltisch ontleend.”  (in de tekstvoetnoot: Heeroma K. (1956), ‘De erfenis van het Latijn’, in Algemene aspecten van de grote cultuurtalen, 5-26.)
Het is dan ook niet verwonderlijk dat nu we in het alfabetisch namenregister van het Leenwoordenboek aantreffen(10) duin (Keltisch).
Daarnaast vinden we in het “Etymologisch Woordenboek, de herkomst van onze woorden”(11) van dezelfde auteur en P.A.F Van Veen, dd 1989:   duin {zandheuvel} 3in de plaatsnaam Dunkerka, nu Duinkerke (Noord Frankrijk) <1067> dune, duun, duyn ca 10904uit het keltisch, vgl. gaelisch, iers dun {heuvel,fort}, ook in Lugdunum, de oude naam van Londen.
 
 

In nog meer recente naslagwerken wordt bijna systematisch vermeld dat duin afkomstig zou zijn van dun, en niet omgekeerd :

-Etymologisch woordenboek van het Nederlands. Onder hoofdredactie van dr. Marlies Philippa met dr. Frans Debrabandere en dr. Arend Quick, Amsterdam University Press, Amsterdam 2004, tweede druk, deel 1, p.643.
Duin : misschien ontleend aan het Keltisch dunum – heuvel(fort), Oudiers dûn heuvel(fort) of een Oudengels heuvelfort, dat misschien verwant is aan gallisch dunum in plaatsnamen en aan tuin, dat van onduidelijke herkomst is. Het oud engelse dûne (heuvel, heuvelfort) was ontleend aan het Keltisch; Gaelic dún komt nog als plaatsnaam voor.
-Van Dale. Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal, 3 delen, Utrecht/Antwerpen, 14de druk, 2005. Door drs.Ton Den Boon en prof. dr. Dirk Geeraerts. Etymologie door Nicoline van der Sijs,
duin: ca 1090 uit het keltisch vgl. gaelisch, iers dun {heuvel,fort}
 
Ook zo in recentere uitgaven:         
-Van Dale’s Groot Woordenboek van de Nederlandse taal dd.2008:   “duin”:“ca 1090* [verschenen in onze taal] uit het Keltisch, vgl. Gaelisch, Iers: dun (heuvel, fort).”
-Van Dale Groot Leenwoordenboek, 2005:
op blz. 107: “De Keltische leenwoorden in het Germaans betreffen twee terreinen: bodemkunde en staatskunde. Bodemkundige woorden zijn duin, lei(steen), lood en ijzer: De Germanen namen de ijzertechnologie van de Kelten over. Van een aantal woorden die zowel in het Germaans als in het Keltisch voorkomen, zoals lak, eed en erf(genaam), kunnen we niet met zekerheid uitmaken wat de oorsprong is geweest.”

op blz. 330: “Engelse kolonisten die zich rond 1000 op de Vlaamse kust vestigden, hebben vermoedelijk ongeveer twintig Engelse woorden bekend gemaakt, waarvan een deel zich vanuit Vlaanderen en Zeeland over het Nederlandse gebied verspreid heeft. Volgens Heeroma hebben zij ook duin naar de Nederlanden gebracht: Engels dune (uit het Keltisch geleend). Maar dat kan niet, want duin is al vóór 1000 in het Nederlands overgeleverd en dus rechtstreeks ontleend uit het Keltische taalgebied.”

Aangezien hier, niettegenstaande bepaalde opgegeven data tegenstrijdig zijn, unaniem wordt aangeduid dat het woord duin afkomstig is van het Keltische dun, waarbij op zeker ogenblik dun en dune, zij het in een andere betekenis, naast elkaar bestonden, zou het nogal ver gezocht zijn om te beweren dat in onze taal een omgekeerd effect zich heeft voorgedaan, waarbij dun dan ineens afkomstig zou zijn van duin.
Trouwens indien dit zo zou geweest zijn, quod non, dan hadden we nu heel wat meer plaatsen met de naam dun moeten gehad hebben. Dit is de logica zelf. Opvallend is immers dat aan de Noordzee in ons taalgebied, gaande van Noord-Frankrijk tot Friesland, nergens langs de kustlijn een zuivere Dun-naam ontstond of bestaat, alhoewel het er krioelt van de duinen.
Er zijn wel ettelijke duin-namen (die dan wel van Germaanse oorsprong zijn), zoals Van Duin, Van Duyn, Van Duynen, Van Duinen, Van der Dunen, Van der Duinen, Van der Duynen, Van Deun, Van Duin. Nergens immers zien we een interferentie met van Dun(ne)(-né) of van Dun. Tevens is gebleken, uit het uitvoerig genealogisch onderzoek van Ton van Dun (3), dat de zes verschillende van Dun-stambomen, waarvan er twee respectievelijk teruggaan tot 1340 (met zijn varianten van Dunne en van Dunné) uit een kleine, welomschreven regio rond Hilvarenbeek afkomstig zijn en totaal losstaan van alle andere eensluidend ‘klinkende’ namen.
 

Uit het voorgaande blijkt m.i. dat de plaatsnaam Dun, waarvan onze naam afkomstig is, in de Lage Landen ogenschijnlijk op zichzelf staat (samen met verschillende andere overgebleven dun-plaatsen in onze regio, waarover verder meer) en zeker niet afkomstig is van het latere woord duin, maar wel uit de Keltische taal, onafgezien of in onze streken al dan niet Kelten hebben gewoond.

Het is dus niet zo dat, wanneer we een bepaalde plaatsnaam als Keltisch zouden erkennen, dit wil zeggen dat we vooropstellen dat de bewoners van die plaats ook Kelten zouden geweest zijn! Noch Keltomanie, noch Keltofobie zijn een wetenschappelijke houding. Allebei zijn zij een euvel wanneer men hierdoor zou voorbijgaan aan wat in vele gevallen voor de hand ligt.
Uiteindelijk gaat het er mij alleen om te weten welke de oorspronkelijke betekenis van onze naam is en of die al dan niet Keltisch kan zijn.
Dit wil zeggen: het gaat er niet alleen om na te aan wie de Keltische taal sprak, maar veeleer in hoever haar invloed en vesrpreiding strekte.
We kunnen toch onmogelijk voorbijgaan aan een aantal soortgelijke Dun-plaatsnamen in onze streken(12) evenmin aan de vele benamingen van plaatsen en rivieren die hier uit de Keltische taal zijn overgeleverd.
Uit de laatste stand van de Keltische taalwetenschap, die hoe langer hoe meer wordt beoefend en hoe langer hoe meer inzichten bijbrengt(13), blijkt dat mijn bevindingen, zoals die ik die in 2001 publiceerde, meer en meer worden bevestigd, zoals hierna zal blijken.
Zo wijzen ondermeer de recent gepubliceerde standpunten van Keltische taalspecialisten zoals Lauran Toorians (Tilburg 1958), historicus, taalkundige en publicist over kunst & cultuur, en van F.Claes S.J. in dezelfde richting.
In de hiernavolgende uiteenzetting worden zij beknopt besproken:

Dank zij de voordelen van het internet kwam mij, spijtig genoeg pas zeer recent (2012), het artikel overf Noordzeegermaans en Noorzeekeltisch van Lauran Toorians onder ogen(14). Alleen reeds de titel ervan geeft een afdoend antwoord op onze vragen: Kelten aan de Noordzeekust. Noordzeegermaans begon met Noordzeekeltisch.

In dit artikel schrijft hij: “We kunnen ons dus afvragen hoe en wanneer een Germaanse taal (als voorouder van het Nederlands) voor het eerst in Nederland terechtkwam, en welke taal of talen hier op dat moment werd(en) gesproken. Van groot belang is daarbij dat we ons realiseren dat we naar slechts één uiting van cultuur kijken. Wanneer we sprekers van een Germaanse taal hier Germanen noemen, hebben we het dus uitsluitend over hun taal. Net zo betekent de naam Kelten in dit verband ‘mensen die een Keltische taal spreken’. Niets meer en niets minder.”
Een keerpunt in de moeilijkheden bij het inzicht in de taalsituatie in Nederland, ten tijde van de eerste centennia van onze jaartelling, vindt Lauran Toorians de ontdekking in 1990 van een klein metalen (wij-)plaatje dat gevonden was bij de inheems-Romeinse tempel bij Empel (’s Hertogenbosch) en dat de godheid Hercules Magusanos voorstelt, maar waarop de Keltische benaming Magusen stond die als godheid werd vereerd door de Eburonen waarvan ook de naam van de stamaanvoerders, Ambiorix en Catuvolcus, Keltisch was.(14).
“Eenmaal herkend, bleek dit proces van germanisering ook in andere namen aan te wijzen. De overstap was er steeds een van Keltisch naar Germaans.” Zijn conclusie luidt daarbij: “Naamkundigen in Nederland waren vaak nogal gefixeerd op het Germaans. Voor zover Keltisch namenmateriaal al als zodanig werd herkend, werd het vaak afgedaan als Romeinse import of –vooral in noordelijk Nederland- weggeredeneerd omdat de aanwezigheid van Keltisch op voorhand werd uitgesloten. In feite is een groot deel van de inheemse namen die uit de Romeinse tijd zijn overgeleverd ondoorzichtig, wat wil zeggen dat wij de herkomst en betekenis ervan niet kunnen vaststellen. Van de namen die wel doorzichtig zijn, blijkt echter uit de periode van Julius Caesar (ca. 50 v.Chr.) vrijwel niets eenduidig Germaans, terwijl Keltische namen probleemloos zijn aan te wijzen. Later in de Romeinse tijd zien we het Germaans vanuit het noordoosten rukken, terwijl ook het Keltisch niet meteen verdwijnt.”
Naamkundigen in Nederland waren vaak nogal gefixeerd op het Germaans. Voor zover Keltisch namenmateriaal al als zodanig werd herkend, werd het vaak afgedaan als Romeinse import of –vooral in noordelijk Nederland- weggeredeneerd omdat de aanwezigheid van Keltisch op voorhand werd uitgesloten.
We moeten hierbij ook echter in het oog houden dat we naarmate we noordelijker komen, de vroege informatie schaarser is. In het bestek van dit artikel is het niet mogelijk om dit materiaal systematisch langs te gaan. Dat gebeurde wel in het boek Keltisch en Germaans in de Nederlanden. Hierbij komt het beeld naar voren dat in de late ijzertijd in Nederland (en België) Keltisch gesproken werd. Kort voor het begin van onze jaartelling begint vanuit het (noord)oosten het Germaans binnen te dringen. De Romeinen lijken het Keltisch te hebben gesteund, het was de taal van een groot deel van hun rijk in Noordwest-Europa. De Bataven vormden in het rivierengebied een Germaanstalige elite die heerste over een Keltischtalige inheemse bevolking. Dit laatste wordt geïllustreerd door de naam van de Kannenefaten, die volgens Tacitus in taal en herkomst gelijk waren aan de Bataven. De naam Kannenefaten blijkt te zijn samengesteld uit twee delen, een Keltich ‘kannene- (‘lookachtige planten’) en een germaans *-fatos’ (heren-meesteres). Het sterretje geeft aan dat dit reconstructies zijn.’Lookmeeesters mag op het eerste oog een vreemde naam voor een volk lijken, maar in het licht van de oudste Keltische en Germaanse literaturen is het dat niet. In verhalen en poëzie was look een metafoor voor het zwaard of voor de dappere strijder die op het slagveld overeind blijft. Bovendien hadden lookachtige planten een medicinale functie. Bij de Bataven zelf zien we Keltische persoonsnamen als Suandacca (begerige, begeerlijke) en Germaanse namen als Chariovalda (legerleider) naast elkaar bestaan. Een woord dat op deze wijze rechtstreeks vanuit het inheemse Keltisch in het Nederlands werd overgenomen, en dat van daaruit ook in de omliggende talen terechtkwam, is kaai (later in het Nederlands ook kade). De oudste Nederlandse vorm van dit woord vinden we in 1.111-1.115 in de plaatsnamen Cadzand (Cadesand).
Een inscriptie uit de Romeinse tijd geeft ons de inheems Keltische vorm van het woord. Deze inscriptie werd gevonden bij Zennewijnen (bij Tiel) en bevat de naam van een godin Seneucaega. In deze naam lijkt het eerste deel een riviernaam te zijn (Zenne), terwijl het tweede deel, het Keltische woord *kagjos (‘omheining, omwalling’) aan de basis van kaai ligt.
Een aardig geval van germanisering is bovendien dat in de tegenwoordige plaatsnaam Zennewijnen het tweede lid, -wijnen - (omheinde) weide-, een vertaling lijkt te zijn van het tweede lid in de godinnennaam. Opmerkelijk is dat al deze oorden al vroeg in het Middelnederlands verschijnen in verdubbelde vormen, alsof men aanvoelde dat het vreemde elementen in het Nederlands zijn. Zo zagen we al zel-zout (met dezelfde betekenis als zel) en vinden we ook ka-dijk en de plaatsnamen Hellegat(sluis) en Dom-burg (uit dunum-burg- met een Keltisch en een Germaans woord voor ‘versterking’)
Helinium en enkele andere woorden tonen aan dat er aan de kustgebieden van Nederland en Vlaanderen nog een andere taalkundige bijzonderheid bestaat. Het gaat hierbij om een verschijnsel dat meestal wordt beschouwd als onderdeel van een groter aantal eigenschappen die Germaanse talen en dialecten rondom de Noordzee gemeenschappelijk hebben. Taalkundige spreken dan ook van Noordzeegermaans of ook wel van Ingwacoons. Parallel aan deze benaming is voorgesteld om het Keltisch van de Nederlandse en Vlaamse kustgebieden voortaan de naam Noordzeekeltisch te geven.
Kenmerkend voor het Noordzeegermaans is de ontwikkeling die de klinkers hier doormaakten en die afwijkt van wat in de rest van het Germaans gebeurde. Voorbeelden zijn het opvallende vermijden van een korte a (bijvoorbeeld dialectische schèèp naast schaap en gedocht naast gedacht) en het ontstaan van de Nederlandse u-klank (zoals die voorkomt in fuut). Zoals gezegd hadden deze ontwikkelingen op het moment dat zij hier plaatsvonden geen enkele parallel in andere Germaanse talen (afgezien van het eveneens Noordzeegermaanse Engels en Fries), terwijl er binnen het Germaans ook geen enkele goede reden of oorzaak voor valt aan te wijzen.
Dat wordt anders wanneer we naar het Keltisch kijken, meer precies naar het Keltisch dat werd gesproken in Groot-Brittannië en dat we Brits noemen. Uit dit Brits ontstond het Wels, het Cornisch en het Bretons en de ontwikkeling van deze talen is niet alleen in groot detail bekend maar ook vrij nauwkeurig te dateren. Wanneer we het klinkersysteem van het Noordzeegermaans vergelijken met dat van het Brits rond 500 n.Chr., dan blijken beide systemen identiek. De kans dat dit op toeval berust is uiterst gering.
Veel waarschijnlijker is dat ook aan de Nederlandse en Vlaamse Noordzeekust nog Keltisch werd gesproken. In de periode tussen ruwweg de 4de en de 6de eeuw nam de inheemse bevolking het Germaans over, waarbij zij haar eigen Keltisch accent behield.
Germaanse klanken (klinkers) die deze mensen in hun eigen taal niet kenden, werden systematisch vervangen door klanken die daar het meest op leken. Iets vergelijkbaars  gebeurt ook wanneer een Nederlander Engels spreekt en de woorden bed, bet, bat en bad allemaal hetzelfde klinken (wat in het Engels niet het geval is). Het Keltisch bleef als substraattaal in het (Kust)Nederlands doorklinken en dat is tot op de dag van vandaag niet veranderd.
Deze ontdekking van het Keltische accent -en dus van het Keltische substraat– in het Nederlands werd gedaan door dr. Peter Schrijver, hoogleraar vergelijkende Indo-Europese taalwetenschap in München en opgeleid en gepromoveerd in Leiden.
Wat van groot belang is, is dat deze ontwikkelingen uitsluitend konden plaatsvinden wanneer het Noordzeekeltisch in de vroege Middeleeuwen nog een levende taal was. Bovendien biedt dit late voortleven van Keltisch in Nederland een veilige inbedding voor de Keltisch namen en woorden die we kennen uit De Romeinse tijd.  Ook die stonden dus niet op zichzelf als leenwoorden in een anderstalige (Germaanse?) omgeving, zoals zo lang werd verondersteld.
Dat het Noordzeekeltisch zozeer op het Brits lijkt – althans voor zover wij het nu kennen – is niet verwonderlijk. Bekend was al dat het Gallisch, de Keltische taal van het huidige Frankrijk, en het Brits zeer na aan elkaar verwant zijn. Mogelijk waren deze vormen van het Keltisch onderling verstaanbaar. Dat het Noordzeekeltisch een  noordelijke uitloper van het Gallisch is, ligt voor de hand. Geografisch sloten deze talen op elkaar aan en er zijn aanwijzingen dat zich onder Romeins bewind een soort ‘algemeen beschaafd Keltisch’ (of beter: een koinè) ontwikkelde dat in grote delen van NoordWest –Europa naast het Latijn werd gebezigd.
Emigranten. In feite vertegenwoordigt het Noordzeegermaans dus een tweede germanisering, die volgde op de eerdere die vanuit het oosten kwam en al begonnen lijkt te zijn op het moment dat de Romeinen in ons land arriveerden. Deze eerste germanisering is wellicht door de Romeinen afgeremd, maar ging zeker vanaf de 4de eeuw ongehinderd door en werkte op een zodanige schaal dat hierin nauwelijks of geen (Noordzee)Keltisch substraat werd opgenomen. Hieruit zijn de Noordoost-Nederlandse (Saksische) dialecten van het Nederlands ontstaan. Bataven en Kannenefaten speelden een belangrijke rol in de Romeinse grensverdediging en bezetten hoge posities binnen het Romeinse leger. Zij werden hierdoor al snel sterk geromaniseerd en spraken naast hun eigen Germaans Latijn (en wellicht ook deels Keltisch, wat immers de taal van vrijwel al hun hoog ontwikkelde buren/onderdanen was). Vooral langs de kust overleefde het Keltisch, zij het waarschijnlijk sterk geromaniseerd (zoals het Keltisch in Brittannië en Gallië).
Handelscontacten overzee -het Hellinium als Maaspoort- zullen in eerste instantie aan dat lange overleven hebben bijgedragen. Vanaf ongeveer de 5de eeuw verruilden de kustbewoners hun Noordzeekeltisch voor Germaans, met Noordzeegermaans als resultaat. Hoe dit proces in zijn werk ging weten we niet. Wellicht moeten we denken aan (Angel-)Saksische emigranten zoals die ook Engeland hebben gegermaniseerd. Veranderingen in de sociaal-economische situatie (handelscontacten) zullen daarbij van invloed zijn geweest. Maar centraal in Nederland ontstonden in deze periode dialecten die wel ‘Frankisch’ worden genoemd en die mogelijk afstammen van de (Germaanse) taal die in het kerngebied van de Bataven werd gesproken.
Ook hierin mogen we een Keltisch substraat verwachten, maar een ander dan dat van het Noordzeekeltisch. Tot zover is de reconstructie van de taalkundige situatie in de Romeinse tijd en in de Middeleeuwen vrijwel uitsluitend gebaseerd op taalkundige feiten en argumenten. Hierbij dient te worden opgemerkt dat slechts kan worden gewerkt op basis van bekende (of herkenbare) feiten. Dat wil zeggen dat we niet erg diep in de prehistorie kunnen terugkijken, en dat we er steeds rekening mee moeten houden dat de feitelijke taalsituatie complexer was dan wij nu reconstrueren. Het Germaans, en dus ook het Nederlands, bevat tal van substraatwoorden die niet Keltisch zijn en die aan geen enkele bekende taal kunnen worden toegeschreven.
De mogelijkheid valt niet uit te sluiten dat ook in de Romeinse tijd (of zelfs daarna) in Nederland nog andere (mogelijk zelfs niet Indo-Europese) talen werden gesproken waarover wij nu niets weten. Alleen al het grote aantal ondoorzichtige namen dat ons uit deze vroege periode is overgeleverd wijst daarop. Wat het hier geschetste scenario betekent voor archeologen en historici is vooralsnog onduidelijk. Zij gaan ervan uit dat juist ook de kustgebieden in de laat-Romeinse tijd en de vroege Middeleeuwen vrijwel ontvolkt raakten. Het moet dus om uiterst kleine groepen sprekers zijn gegaan. Taalkundig is dat echter geen bezwaar. Ook vijftig sprekers kunnen een taal in leven houden. Een belangrijk centrum in deze periode was Dorestad, dat als centrum van handel en verkeer ook een ontmoetingsplaats van talen zal zijn geweest. Ook de heerschappij van de Friezen in het eerste millennium is een verschijnsel dat in het licht van deze nieuwe gegevens meer kleur zou kunnen krijgen.
Er valt dan ook nog veel te doen. Voor de taalkundige zijn nieuwe wegen geopend om te proberen ondoorzichtig bevonden namen alsnog van een etymologie te voorzien, om de vroegste geschiedenis van het Nederlands nu nog verder te ontrafelen en om het Noordzeekeltisch een plaats te geven binnen het geheel van de Keltische talen. Archeologen en historici staan voor de uitdaging deze nieuw verworven inzichten een plaats te geven in hun beeld van deze periode. De ‘volksverhuizing’ zal enige herziening behoeven.

Ook in zijn recentere tekst onder de titel “De etymologie van Dorestad, Keltisch en Germaans”(15)  toont Lauran Toorians het bestaan van Keltisch plaatsnamen in onze streken aan. Hieronder de inhoudsamenvatting zoals die in dit werk zelf staat:

Inhoud: In recente naslagwerken geldt Dorestat als een plaatsnaam met een Keltische etymologie, wat voor een vroegmiddeleeuwse naam in Nederland een opmerkelijk gegeven is. In dit artikel wordt deze etymologie onderworpen aan een kritische heroverweging , met als resultaat de interpretatie van Dore-stat als een samenstelling van een Keltisch met een Germaans element. Betoogd wordt dat een dergelijk compositum kon ontstaan in een Romaanstalige omgeving, met een vorm van Romaans die zich kenmerkte door een sterk Keltisch substraat, en met Germaans in de naaste omgeving.

Vervolgens wordt een aantal plaats- en waternamen uit de omgeving van Dorestat en eveneens met Keltische wortels (en deels Romaanse invloeden) belicht.  Tot slot wordt op grond van dit alles de mogelijkheid geopperd dat in de vroegmiddeleeuwse handelscentra Dorestat en Quentovic eenzelfde Romaans, Keltisch ‘gekleurde’ taal de omgangstaal was.

Andere (etymologisch) behandelde namen zijn: Batavodurum, Canche, Domburg, Doornenburg, Durbuy, Duur (gem.Olst), Hellegat(sluis), IJssel, Lek, Levefano, Quentovic, Rijn en Tudderen.

Daarnaast vinden we bij F. Claes S.J. een uiteenzetting(16) waarin hij aantoont dat zowel de naam van de stad Diest, als de naam van de rivier de Demer van Keltisch oorsprong zijn; terwijl ook hij hier de naam Domburg voorstelt als = dunum-burgos = Keltisch-Germaans:

“Op basis van deze betekenissen (‘monding’/ ‘stad’ // ‘plaats’ / ‘oever’) zijn vier interpretaties mogelijk voor de naam Dorestat. Van deze vier gaat mijn voorkeur uit naar ‘stad-plaats’, hoewel ik ook de mogelijkheid ‘monding-plaats’ niet onaantrekkelijk acht. Er blijken echter in het Nederlands meerdere vergelijkbare paren van (ongeveer) synonieme woorden te bestaan, waarbij het ene Keltisch en het andere Germaans is. Paren die bovendien ook samen een compositum kunnen vormen. Een voorbeeld is Domburg (< *dunum-burgos), terwijl voortbordurend op de Keltische etymologie voor Helinium, ook Hellegat(sluis) er mogelijk een is. Verder is er het tamelijk frequent voorkomen van de benaming kadijk voor middeleeuwse dijken en de terminus technicus zelzout voor zout gewonnen uit zilte turf (de zogenaamde zelnering).”

Opvallend is wel dat dr. F. De Brabandere in de inleiding van zijn “Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk”(17) de hiernavolgende, uiteraard correcte, gedachtengang formuleert, maar die schijnbaar niet heeft toegepast op de verraderlijk eenvoudige naam Dun:

“… die familienamen moesten we dan verklaren. We waren ons er terdege van bewust dat dit een riskante en hachelijke onderneming was. De naamverklaarder begeeft zich voortdurend op glad ijs. De veiligste metode bestaat er dan in te vergelijken met de namenvoorraad van onze buurtalen, met Duitse, Franse, Engelse, Italiaanse enz. familienamen. Van de FN Goedleven/Goe(t)leven hebben we geen oude voorbeelden- tenzij hij een reïnterpretatie zou zijn van Go(e)delieve-, maar het bestaan van Gutleben, Bonnevie en Buonavista toont aan dat we de naam letterlijk kunnen opvatten. Zo vindt Goedgezelschap een pendant in Bonne-compagnie. Zelfs namen waarvan we wel oude vormen hebben, kunnen veiliger worden verklaard, als we over buitenlands vergelijkingsmateriaal beschikken. Opsomer blijkt niet langer een kuiper te zijn, als hij naast de Duitse Hoffsummer ‘hoop op de zomer’ komt te staan. Anderzijds heeft het doornemen van namenlijsten in b.v. telefoongidsen toch ook het voordeel dat we dat we varianten van een naam naast elkaar vinden.”

Zoals ik reeds uitgebreid beschreef in mijn “Het eerste Dunboek”(18), vindt men immers niet allee:n ontelbare dun(um) namen in de Engelse, Schotse en Ierse talen, en zelfs in het Manx (waar dun vervangen  werd door din) maar zijn zij eveneens terug te vinden:

  • -in Duitsland: Kempten (= cambo-dunum) en in het Duitse Eifelgebied: Daun:  afkomstig van Dun, met de graven (von Dün), waarvan de laatste afstammeling in het tweede decennium van de 20ste eeuw zou overleden zijn, en met de daarvan afstammende tak Dün.

  • -in Frankrijk, gaande van Verdun(=vero-dunum) tot het gebied aan de Loire waar de strijdmakker van Jeann-D’Arc, le comte de Dun zowel zijn chateau Dunois als zijn  Châteaudun had, en  waar er zomaar eventjes 11 dorpen zijn met de naam Dun naast nog tientallen in samenstellingen, en nog tientallen andere dun(um)-namen, waaronder Lyon (=Lug-dunum) en Autun (=Augusto-dunum) wel  de bekendste,
  • -en in ons taalgebied :  
    •    Kempen (cambo-dunum)
    •    Dorsel= straat in de gemeente Nijlen(dun-res-lo,1186 dunser-lo)
    •    Donderslag: gehucht van de gemeente Meeuwen,oorspronkelijk: dun-res-lo;
    •    Blandijnberg, in Gent: afkomstig van Belenos - dun – berg
    •    Dinant : (dun)
    •    en wellicht ook Turnhout (turno-dunum).

Interessant in verband met de betekenis van onze naam lijkt me ook de taalkundige uiteenzetting van ALFRED MICHIELS in “Andouerpis-Antwerpen” over de herkomst van de naam Eburones en de verwijzing naar enkele dun(um)-plaatsen hieraan geliëerd(19):

  • De naam Eburones komt niet van het Germaanse eburo wat ‘ever’ betekent. We vinden immers een gelijkaardige stamnaam in Frankrijk. De stad Evreux (département Eure) heette.rond 400 n.C. “civitas Ebroicorum”. (1)  Het was de hoofdplaats van de Keltische stam der Eburouices. Deze naam komt van  eburos, “taxusboom”, en  uicos “strijder”(1).  Het zijn  dus de “taxusstrijders”. Naast de farmaceutische eigenschappen van de taxus, waren de takken van deze boom ook ideaal om er krachtige krijgsbogen van te  vervaardigen.
  • De Fanse stad Bram (dép. Aude) is het Eburomagi (“magi” = “markt” uit de 4de eeuw op de Tabula Peutingeriana(2)
  • De Engelse stad York heette in de 3de eeuw n.C. “Eburacum” (3), waar het negende Romeinse legioen “Hispana” in 71-74 n.C. een fort had gebouwd, dus lang vóór er daar van Germaanse bewoners sprake was.(4).
  •  Er is ook nog Eburodunum in Wallis, het huidige Yverdon-les-Bains en Eburodunum in Duitsland, het huidige Brünn. (5)

-dunum is zuiver Keltisch en betekent “hoogte” of “versterking (op een hoogte)”.

  1. (1)  Dauzeat A. en Rostaing Ch., Dictionnaire étymologique des noms de lieux en France, Paris 1963.
  2. (2)  id als hierboven + De Tabula Peuteringeriana is een laat-Romeinse landkaart uit de 4deeeuw n.C., bewaard in een 13de eeuws afschrift
  3. (3) Itinerarium Antonini, 466, I. Rivet A.L.F. en Smith C., The Place-Names of Roman Britain, Londen 1979.
  4. (4) The Oxford Classical dictionary, London, 1968
  5. (5) Rivet A.L.F. en Smith C., The Place-Names of Roman Britain, Londen 1979.

Ook Turnhout zou een samengestelde Dun-naam zou zijn(20):

Het tweede deel van de naam lijkt Germaans, wat betekent bos, maar de h komt niet voor in de oudste overgeleverde vormen van Turnhout: 1021: Tournoutervoerde (voerde=doorwaadbare plaats) 1186: Turnolt. De naam zou tweemaal worden overgenomen en aangepast: eerste door de Kelten en daarna door de Germanen; “Turnhout” zou dan voortkomen uit een samensmelting van het voor-historische tur(no) = hoogte en het Keltische dunum (=hoogte). Cfr. de Franse stad Tourdun. We zouden dus een verschuiving gehad hebben van Turn(o)dunum ► Turnoud ► Tournout.       Hierna geven we letterlijk de uiteenzetting van Alfred Machiels weer:
De Kelten namen sommige voorhistorische namen over en pasten die aan aan hun verbuigingssysteem.  Een voorbeeld: een in Frankrijk vaak voorkomend voorhistorisch woord in namen is tur. Dit betekent talud, vooruitspringende hoogte(1)
De Kelten namen deze benaming over mits toevoeging van een achtervoegsel –no, om het aan de Keltische taal aan te passen en te kunnen verbuigen. Dit woord vinden we dan terug in talrijke Keltische plaatsnamen, zoals Turnu (bij Laon, 1216(2)) Tornomagus in de 5de eeuw (huidige Tournon-Saint-Pierre), en Turniacum (huidige Franse plaatsen Turny en Tourniac, e.a.) of Tornacum, het huidige Franse Tournay Dit woord vinden we dan terug in talrijke Keltische plaatsnamen, zoals Turnu (bij Laon, 1216(2)) Tornomagus in de 5de eeuw (huidige Tournon-Saint-Pierre), en Turniacum (huidige Franse plaatsen Turny en Tourniac, e.a.) of Tornacum, het huidige Franse Tournay, het Belgisch-Luxemburgse Tournay(1) en het Henegouwse Tournay (Doornik). Doornik is het Turnaco uit de 4de eeuw n.C. op de beroemde Peutingerkaart uit de Romeine tijd. Ik meen dat dit turno- ook het eerste lid is van de naam van de Kempische stad Turnhout.

Gysseling heeft geen verklaring en De Vries vond alleszins geen Germaanse verklaring in zijn  etymologisch woordenboek(3). In zijn woordenboek der plaatsnamen twijfelt hij tussen “doornbos”(4) en turwahout “dennenbos”(3).

Het tweede lid hout lijkt wel Germaans wat betekent bos. Maar de oudste overgeleverde vormen voor Turnhout hebben geen “h”: Tournoutervoerde in 1021(5) (voerde = voorde en betekent “doorwaadbare plaats”) en Turnolt in1186, Turneholt in 1187(3), Turnhout in 1212(2). Hier zien we dus een naam die tweemaal werd overgenomen en aangepast, eerst door de Kelten en daarna door de Germanen. De aanpassing door de Germanen kan een volksetymologische vervorming zijn van een Keltische naam als het Franse Tournous (Dép. Hautes-Pyrenées, van Tornosum(6), of eerder Tourdun (dép.Gers) < Turnodunum(6) dit laatste is samengesteld uit Turno- en het Keltische dunon, hetgeen “hoogte, heuvel” betekent, later “versterking op een heuvel.
De schrijfwijze Tournout in 1021 pleit dus voor dergelijke interpretatie (Tournout < Turnoud < *Turn(o)udunum. Bovendien komt volgens De Vries de schrijfwijze hout voor het oude holt slechts voor de eerste maal voor in de 13de eeuw. Indien Turnhout van Turnodunum komt hebben we evenals bij het franse Tourdun andermaal te maken met een hybride naamconstructie, namelijk voor-historisch tur(no) (=hoogte) en Keltisch dunum (=hoogte) zoals Kelmont, cfr supra.
We vinden van Turnhout een Romaans tegenhanger in Belgisch Luxemburg, waar de heuvel “Torrimont” in Tournay bij Neufchäteau samengesteld is uit Tur en mont(1b)  De volksetymologie kan van Turnout “Turnholt” gemaakt hebben, dat dan later verder evolueerde naar Turnhout.

  1.  (1) Loicq J., La toponomie ou science des noms de lieux. Son application au patrimoine celtique de l’Ardenne, in Folia Electronica Classica, 5, Louvain-la-Neuve 2003, p.17 (1b=p7)
  2. (2) Gysseling M., Toponomisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord Frankrijk en West-Duitsland, Belgisch Interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek,1960.
  3. (3) De Vries J., Woordenboek der Noord- en Zuidnederlandse plaatsnamen, Utrecht 1962.
  4. (4) Gysseling, op.cit.: onder Turnu (Frankrijk, dép.Eure), dat hij verklaart als dhurnodhu, collectief van dhurnu “droom”.
  5. (5) Carnoy A., Origine des noms de communes de Belgique, y compris les noms des des rivières et principaux Hameaux, Louvain 1948-1949, p.683.
  6. (6) Dauzeat A. en Rostaing Ch., Dictionnaire étymologique des noms de lieux en France, Paris 1963.
  7. (7) Delamarre X., Dictionnaire de la langue Gauloise, Paris 2003.

Soortgelijke gedachtengang treffen we  ook aan bij de auteur LEO VERHART(21) in zijn boek “Nieuwe archeologische ontdekkingen- tussen Noordzee en Rijn”, uitg.Matrijs, Utrecht 2006:
De Keltische taalwetenschap heeft de laatste tijd argumenten naar voren gebracht waaruit zou blijken dat er tot in Noord-Nederland aan het einde van de ijzertijd Keltisch zou zijn gesproken (Hofman, Smelik & Toorians 2000, Toorians 1998.
Over de vroegere periode, de tijd van Halstatt en de vorstengraven, kan niets gezegd worden, maar omdat er in archeologisch opzicht geen sterke breuken zijn aan te wijzen, is het waarschijnlijk dat ook in die periode Keltisch werd gesproken. Belangrijk is dat de taalwetenschap wel een gebied kan afbakenen waar een bepaalde taal werd gesproken, maar dat dit nog niet zegt dat het om een volk met een eigen etnische identiteit zou gaan.
De Keltische taal werd over een groot deel van Europa gesproken. Na de Romeinse overheersing zou die taal geleidelijk aan verdwijnen. Zo wordt door taalkundigen verondersteld dat op het platteland van Gallië tot in de vijfde eeuw na Christus nog Keltisch werd gesproken. In Groot-Brittannië verdween de Keltische taal niet en van daaruit zou het Keltisch zich uitbreiden naar Ierland en weer terugkeren naar Bretagne.
Het spreken van Keltisch in onze streken kan onder andere worden afgeleid uit namen van stammen, plaatsen, mensen en goden en uit Romeinse teksten.
In verschillende namen van plaatsen kan de Keltische oorsprong afgeleid worden; De oude naam van Heel in Limburg is Catualium. Het Gallische catu betekende “strijd” of “gevecht” en zo zou de naam opgevat kunnen worden als de plaats waar een gevecht heeft plaats gevonden. In de naam van de plaats Levefano, mogelijk Wijk bij Duurstede in Utrecht, is het eerste deel waarschijnlijk Keltisch. Het woordje leve komt ook voor in namen van rivieren als de Leven in Engeland en de Lieve, een zijzivier van de Schelde. Ook de naam van de Demer, Tamara is waarschijnlijk van Keltische herkomst. Novio-magus (Nijmegen, Neumagen), Belgica vicus (Billig), Iuliacum (Jülich), Condate (Koblenz) en Teudurum=Teutodurum zijn voorbeelden van plaatsnamen met een Keltische oorsprong. Op de Romeinse Peutingerkaart ligt aan de monding van de Rijn Lugdunum. Met deze van oorsprong Keltische naam wordt het fort Brittenburg bedoeld, maar het nabijgelegen Leiden wilde zich graag met die naam tooien. Toen in 1575 de universiteit werd opgericht en een Latijnse naam nodig was om de ouderdom en geleerdheid van de stad nog eens te onderstrepen, werd de [verkeerdelijke] naam Lugdunum Batavorum bedacht. Op verschillende Romeinse altaarstenen zijn namen te vinden van Keltische origine. In Ale Colijnsplaat...  Domburg... Vechten … ... ....
In de naam van de Eburonen zelf is de Keltische achtergrond af te lezen. Het gallische eburos betekent “taxusboom”. Ook uit Horn is er een altaar bekend met een Keltische naam Mercurius Avernnus. De meest bekende naam die op een Keltische oorsprong duidt is de godheid Hercules Magusanus. Deze werd in een groot gebied vereerd en er zijn altaren bekend uit Bonn, Keulen, Xanten, Malburgen, Sint-Michielsgestel en Westkapelle.          … Directe voorbeelden van namen van plaatsen en rivieren met een Keltische herkomst zijn er niet in het noorden van Nederland. Toch zijn er veel aanwijzingen dat er misschien Keltisch werd gesproken. Twee Friese koningen, Verritus en Malorix hebben Keltische namen. …              Ook zijn er op taalkundige gronden in Nederlandse en Belgische kustdialecten en het Fries Keltische elementen aan te wijzen. Het gaat dan om bepaalde klankontwikkelingen. Op grond daarvan wordt verondersteld dat ook aan de Friese kust Keltisch kan zijn gesproken. Het is overigens opvallend hoe weinig echt Germaanse namen in het noorden voorkomen.

BIBLIOGRAFIE

(1)Volgens de gegevens van familienaam.be (website i.s.m. Dr.Ann Marynissen (Univ.Keulen) en Paul Bijnens) waren er  588 van Dun’s genoteerd in het rijksregister van 1998, terwijl de  Familienamendatabank van het Meertens Instituut (Centraal bureau voor genealogie) te Amsterdam in 2007 in Nederland volgende cijfers geeft: 26 personen met de naam Dun, 67 met de naam van Dunné en 1475 met de naam van Dun.  Voor België beschikken we nog over de gegevens in “Dictionnaire des noms de Famille en Belgique romane et dans les régions limitrophes” (Jules Herbillon et Jean Germai Crédit Communal, Groeninghe, drukkerij Courtrai, Bruxelles 1996.p.1148) – hier vermeld men in 1996: 124 van Dun’s en 386 Van Dun’s {samen 502 naamgenoten}in ons land.
(2) De Goirlese Familie VAN DUN 1340-2000, Jef van Gils en Ton van Dun, uitg..Pirola Schoorl, sept.2013 en De Alphense en Dunse Familie VAN DUN, Ton van Dun, uitg. Pirola Schoorl, Ulvenhout december 2015.
(3) (Fonny van Dun, Het eerste Dunboek, 2001, hfdst.5 Oorsprong, Betekenis en Verwantschap van onze Naam, hfdst.6 Dun-plaatsen, Oorsprong en Verspreiding.
(4) Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk. Grondig herziene en vermeerderde uitgave. Dr. Frans De Brabandere. Uitg. L.J Veen Amsterdam/Antwerpen, 2003, p.414.
(5) Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk. Grondig herziene en vermeerderde uitgave. Dr. Frans De Brabandere. Uitg. L.J Veen Amsterdam/Antwerpen, 2003, p.412

  • Patr.  Patr.= Patroniem: vadersnaam, familienaam ontstaan uit een mannelijke voornaam; Germ. = Germaans
  • MORLET I = M.-TH. MORLET, Les noms de personne sur le territoire de l’ancienne Gaule du VIe au XIIe   siècle. I. Les noms issus du germanique continental et les créations gallo-germaniques, Paris, 1968.
  • VERKEST= R.M.VERKEST, Anthroponymische studie aan de hand van de Brugse stadsrekeningen van 1298-1303, lic.verh.Leuven,1949. VN,Vn = Voornaam  PlN = Plaatsnaam             Bg.(DF III) = Brugge (DF K.
  • DE FLOU, Woordenboek der Toponymie van Westelijk Vlaanderen, 18 dln., Gent, 1914-38.)
  • Ip.  (BEELE) = Ieper (W. BEELE, Studie van de Ieperse persoonsnamen uit de stads- en baljuwsrekeningen 1250-1400, 1975.

(6) zoals men dit nu kan terugvinden op internet onder www.naamkunde.net/wp-content/uploads/2010/01/WZF- De Brabandere.pdf, en dit op-blz.92: Dun, van: PlN Dun in Hilvarenbeek (NB). 1223 Godefridus de Dun, Hilvarenbeek; ± 1370 Jan van Dunne, Goirle (med. F. van Dun, Zwijndrecht).
(7) Nicoline  van der Sijs, Leenwoordenboek. De invloed van andere talen op het Nederlands,Sdu Uitgevers, Den Haag 1996, Standaard Uitgevrij, Antwerpen 1996, 3de druk 1997,p.78
(8) idem, p.77
(9) idem, p.314
(10) Nicoline van der Sijs, Leenwoordenboek. De invloed van andere talen op het Nederlands,Sdu Uitgevers, Den Haag 1996, Standaard Uitgevrij, Antwerpen 1996, 3de druk 1997, p.412.
(11) P.A.F. Van Veen en Nicoline van der Sijs. Etymologisch Woordenboek.De herkomst van onze namen. Van Dale Lexicografie. Utrecht/Antwerpen, 1997, 1e druk 1989.
(12) Zie de tekst van de hoofdstukken 5 en 6 van mijn “Het eerste Dunboek”, Fonny van Dun, 2001.
(13) Aan de universiteit van Utrecht is er nu een officieel geregistreerde baccelor opleiding onder de naam “Keltische talen en cultuur”.
(14) Lauran Toorians, Kelten aan de Nederlandse kust. Noordzeegermaans begon met Noordzeekeltisch. Artikel in Spiegel Historiael, jrg.36, nr.3, maart 2001, p.112-117.
(15) De etymologie van Dorestad, Keltisch en Germaans. Lauran Toorians. ref.: igitur-archive-library-uu.nl/sabine/ 2011-1118-200544/JOUT_2005_01_2.pdf
(16) F.Claes S.J. artikel “De naam van de stad Diest is evenals die van de rivier de Demer reeds van voor- Germaanse, vermoedelijk van Keltisch oorsprong. Ref: www.oostbrabant.org/ Tijdschriften/ Oost-brabant/ 1979-1/div.9.html.
(17) Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk. Grondig herziene en vermeerderde uitgave. Dr. Frans De Brabandere. Uitg. L.J Veen Amsterdam/Antwerpen, 2003, p.11.
(18) Fonny van Dun, Oorsprong, Betekenis en Verwantschap van onze Naam, hfdst.5, alsook: Dun-plaatsen, Oorsprong en Verspreiding, hfdst.6, beide  in: Het eerste Dunboek, 2001.
(19) Nieuwe zoektocht naar de betekenis van de naam Antwerpen en de vroegste geschiedenis van de Antwerpenaars, Alfred Machiels, Rumst 2007, p.41-43.
(20) Nieuwe zoektocht naar de betekenis van de naam Antwerpen en de vroegste geschiedenis van de Antwerpenaars, Alfred Machiels, Rumst 2007, p.59,60.
(21) Dr.Leo Verhart: Conservator Rijksmuseum van Oudheden, Collectie Nede
 

Thema