Drie varianten in één stam

Op basis van de genealogische gegevens zoals die vermeld staan in het stamboomboek van de twee van DUN-takken, die met elkaar NIET verwant zijn, maar die beideteruggaan tot 1340, respectievelijk tot Goirle en tot Alphen, staat het onomstotelijk beide-familis teruggaan tot de naam van Dunne.
Deze naam bleef bij onze voorouders gedurende meer dan 200 jaar onveranderd, zij het dat hij niet altijd als zodanig werd neergeschreven ! De naam van Dunne bleef nog een tijdlang bestaan naast van Dun. Om dan, met uitzondering van de van Dunné-tak, in onze streken volledig te verdwijnen. Bij deze uitzonderingstak wijzigde in de 2de helft van de 18de eeuw uitsluitend de laatste letter : van e naar é.  Hij is voornamelijk gevestigd in de omgeving van Rotterdam en Den Haag.

Achtervoegsel valt weg

Pas vanaf de eerste helft van de 17de eeuw zien we geregeld het achtervoegsel -ne wegvallen.  In het begin soms nog aarzelend. Het verdwijnen van het achtervoegsel -ne, ten gevolge van taalevolutie, is niet zo verwonderlijk.  Aanvangkelijk was de naamoorsprong van onze verre voorouder

  • ofwel iemand die Dun heette, waarna zijn zoon van Dun werd genoemd en een van diens nakomelingen van Dunne  - dergelijke naamsverbreding zien we ook bij Janssen (of "Janszone" = "de zoon van Jan"), bij Peeters (de zoon van Peeter) enz.In het noordelijk gelegen deel van Nederland vinden we aldus ook een 15-tal verschillende uitgangen : o.m. namen op -stra (cfr. Hoekstra), op -inga  (Huizinga), op -ma (Steurma) enz.
  • ofwel iemand die de naam kreeg van een plaats, Dun geheten, waar hij vandaan kwam

Hoe en wanneer dit gebeurde, kon nog niet volledig achterhaald worden.Toch wijst alles erop dat de naam van DUN, waarvan de oudst gevonden vermelding dateert van het begin van de 13de eeuw, gewoon een vertaling is van het Latijnse “de Duno” (dat op zijn beurt teruggaat tot het Keltische “Dun”).Dit alles ging immers samen met de vorming van de Nederlandse taal, die ontstond in het begin van de 12de eeuw, maar pas een eeuw later zeer geleidelijk aan in ambtelijke teksten zou verschijnen.

Vertalingen

Vergeten we niet dat men in de Middeleeuwen geen cultuurtaal kende die “Nederlands” heette; wel waren er een aantal dialecten, reikend van het huidige Frans-Vlaanderen tot de Duitse Nederrijn, waaruit zich later een Nederlandse eenheidstaal ontwikkelde.Het gebied van oorsprong van onze taal is dus veel ruimer dan het huidige Nederlandstalige gebied.Bij het bestuderen van oorkonden en legaten in het gebied van het graafschap Daun, gelegen in het Duitse Eifelgebergte, hebben we kunnen vaststellen dat de aldaar gebruikte taal in de 14de eeuw ofwel het Latijn was, ofwel een taal bestaande uit een mengeling van Franse, Duitse én Nederlandse woorden.
Vertalingen uit het Latijn, of naar het Latijn, kunnen daarbij dikwijls voor verwarring zorgen en maken onze taak er niet gemakkelijker op.Een sprekend voorbeeld hiervan is een akte, daterend van 28 april 1616, berustend in het gemeentearchief van Tilburg, die medeondertekend werd door onze naamgenoot, pastoor Peeter van Dun (1570-1635), pastoor te Goirle.De tekst onderaan deze akte luidt :“Toirconden ons naems, Ita attestor Petrus de Dun, Pastor in Goirle, Lenaert Janssens … “ Hierbij is de naam “Petrus de Dun ” een letterlijke vertaling in het Latijn.

Thema